Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

adem - (levenslucht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

adem zn. ‘levenslucht’
Mnl. adem [1240; Bern.]. Daarnaast de nevenvorm asem, aessem [1350-1400; MNW].
Os. āđom; ohd. ādum en met grammatische wisseling ātum (nhd. Atem); oe. ǣðm; met een sjwa tussen beide medeklinkers ontwikkeld uit pgm. *ēþma-. In de verbogen naamvallen is -þm- door geminatie tot -þþm- > -s(s)m- geworden, wat tot de nevenvorm asem heeft geleid.
Verwant met Sanskrit ātmá, tmán- ‘adem, ziel’; < pie. *h1ē(h1)t-men- ‘ziel’ (IEW 345).
De vorm met -s- is in veel dialecten nog aanwezig, maar is in de standaardtaal sinds de 19e eeuw geleidelijk verdwenen. Zo niet in het Afrikaanse asem ‘adem’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

adem* [ingeademde lucht] {1201-1250} oudfries ēthma, oudsaksisch āthum, oudengels æðm; buiten het germ. oudindisch ātman- [adem, ziel] → asem.

asem* [ingeademde lucht] {aessem 1351-1400} nevenvorm van adem.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

adem, asem znw. m., mnl. ādem, aessem, os. āthum ‘adem, geest’, ofri. ēhtma, oe. æðm; daarnaast met gramm. wiss. ohd. ātum. — Idg. grondv. *ētmo, ētmen, vgl. oi. ātman adem, ziel’ (IEW 345).

Voor de vorm asem naast adem, vgl. wadem naast wasem. De dial. verkiezen de vormen met s, soms echter vormen met j, zoals oajǝm, ōjǝm (Veluwe, bij Bommel, N-Brabant en N-Limb.), vgl. daarvoor Schrijnen, Isogl. 57 vlgg. — De verdeling der vormen adem en wadem is analoog: de vormen met d worden als voornamer beschouwd dan die met s, alleen liggen zij bij wadem op een hoger niveau. — De vorm met s zal ontstaan zijn uit de verb. vormen, waarin -þm > -þþm > -ssm zich ontwikkelde. (anders Frings PBB 55, 1931, 312 vlgg.).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

adem, asem znw., mnl. âdem, aessem m. “adem, damp”. De meeste diall. hebben den s-vorm (voor Goer, næ̂sǝm vgl. naars naast aars), bij Bommel, op de Veluwe en in Groningen komt hiernaast aojǝm resp. ôjǝm, aom uit *âdǝm voor. = ohd. âdum (nog dial.; met dial. ô uit â nhd. odem), os. âthum, (oofri. êthma, owfri. âdema m. n-stam), ags. æ̂ðm m. “adem”, germ. *eþma-. In den nom.-accus. enk. ontwikkelde zich tusschen þ en m een svarabhakti-vocaal, en de þ werd ndl. d, de s ontstond in de casus obliqui en het ww. wgerm. *âþmón (asemen), waar -þm- > -þþm- > -s(s)m- werd, vgl. mnl. ommevessemen (*faþmian) “omvademen” bij vadem. Met gramm. wechsel ohd. âtum (nhd. atem) m. “adem”. Buiten het Germ. vgl. vooral oi. âtmán- “adem, ziel”. De verdere combinatie met ier. âthach “adem, wind” is zeer wsch., die met gr. atmós, atmḗ, atmís “damp, rook” is onzeker: deze kunnen ook anders bevredigend verklaard worden.

[Aanvullingen en Verbeteringen] adem. Gr. atmós heeft ā en hoort niet hierbij.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

adem, asem. Van de dial. vormen aojəm, ôjəm, aom komen die met j niet in Gron. voor: ôjəm verder in N.-Brab. en N.-Limb. (Z.-Limb. ôm: voor de geographie van beide zie Schrijnen Isogl. 57 vlg.).
De vorm asem zal zijn grote verbreiding te danken hebben aan invloed van wasem ( mnl. âdem zowel = ‘adem’ als ‘wasem’), maar het is toch niet geraden met Frings PBB. 55, 312 vlg. daaraan uitsluitend de s toe te schrijven en de overgang -þm- > -sm- geheel te ontkennen. Vgl., behalve mnl. ommevessemen, nog zuidndl. pessem ‘kweek’ naast peem ‘id’ (>*pe-dem: vgl. peen Suppl.)
De combinatie met ier. athach is twijfelachtig; gr. atmós (ā?) is wsch. niet verwant (vgl. v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

asem m., Mnl. aessem: komt alleen in ’t Ndl. voor; beantw. aan Westg. *aþþom, uit *aþm-; daarentegen adem aan *aþom (z. adem).

adem m., Mnl. adem, Os. âthom + Ohd. âtom (Mhd. âtem, Nhd. atem en odem), Ags. ǽđm, Ofri. éthma; komt buiten het Westg. niet voor + Gr. atmós, Skr. ātmā = adem, geest. Hgd. d - t is gramm. wechsel. Zie asem.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

aosem (zn.) adem; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) ausem, Vreugmiddelnederlands asem <1350-1400>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1adem s.nw.
Asem (1asem).
Uit Ndl. adem (al Mnl.). Afr. adem kom hoofsaaklik voor in digterlike, figuurlike en verhewe taal, asook in enkele vorme uit Ndl. geërf, soos ademing en in afleidings soos ademloos. Origens word asem gebruik (Boshoff - Nienaber 1967).
Oud-Iers en Oud-Indies het albei âtman 'adem', 'siel'.

1asem s.nw.
1. Lug wat deur die longe ingetrek of uitgestoot word. 2. Asemhaling, uithouvermoë. 3. (skertsend) Iemand om 'n taak te verrig.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. asem, 'n wisselvorm van adem, veral in S.Nederland gebruiklik. Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Ndl. asem vroeër, in 17de-eeuse Ndl., in deftige styl net so gebruiklik soos adem; tans is Ndl. asem alledaags en gemeensaam.
Vgl. 1adem.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

adem: as simp. (s.nw. en ww.) in Afr. hoofs. in digt., fig. en verhewe taal en in enkele (geërfde) vorme soos verademing, origens asem (q.v.).

asem: – (fig.) adem (q.v.) – ; Ndl. adem, maar “de meeste dial. hebben den s-vorm” (FvWvH); afgesien van anal. klankontw. het byg. aan wasem wsk. tot verbreidheid van s-vorm bygedra, in SNdl. is dit alg.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Adem, ademtocht, was oudtijds ook geest; zoo zei men in ’t Hd. der heilige Atem = de H. Geest, ’t Woord komt van ’t Idg. etmo-n, Skr. atman = adem, geest. (Vgl. ’t Gr. atmos = damp; atmosfeer = dampkring.)

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

adem* ingeademde lucht 1240 [Bern.]

asem* ingeademde lucht 1351-1400 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

120. Zijn asem over iets laten gaan,

d.w.z. eig. iets van nabij bekijken of beruiken; fig. zich met iets bemoeien. Vgl. Huygens, Hofw. 2261: 'k Wouw dat men aessem me iens gaen mocht over 't suyvel; Asselyn, Spilp. 10: De keukenklauwers, die toch niet gerust zijn of ze moeten, over al 't geen er te vuur gedaen wordt, 'er aassem laaten over gaan; Halma, 17: Over al zijnen asem hebben, alles bestellen, mettre le nez par-tout, de mêler de tout; Tuinman I, 5: Hy heeft er de hand in gehad. Zo zegt men ook: Hy heeft er zijnen adem over laten gaan: 't geen geschied over dingen, die naby zyn; bl. 196: Hy laat 'er zijnen aassem over gaan. Dat wil zeggen, een zaak van naby bezien, en behandelen, zo dat men bewind daar over gebruikt; Harreb. I, 10; Sjof. 199: Je mocht geen borretje pap vrete of de pastoor most'er zijn asem over late gaan.

904. Het op de heupen hebben (- krijgen),

d.w.z. in een opgewonden gemoedstoestand verkeeren of geraken, d.i. slecht gehumeurd zijn òf met een aanval van buitengewonen ijver iets doenMag men hierin eene herinnering zien aan de oudtestamentische gewoonte om op de heupen te kloppen als teeken van groote ontsteltenis en droefheid? Of moeten we denken aan verschijnselen bij een heuplijden?. De uitdr. staat opgegeven bij Harreb. I, 307 b; ook komt ze voor O.K. 166; 170; Uit één pen, 144; Sjof, 158; 176; 218; Kmz. 24; Jord. 195; 235; Speenhoff VII, 25; Heyermans, Ghetto, 11; Zondagsbl. v. Het Volk, 1905 p. 236: De rooie huzaren waren er ook bij uitgenoodigd om te hooren wat de generaal van Den Haag vandaag op z'n heupen had. Vgl. de soortgelijke uitdr. 't op de zenuwen, op de borst hebben; het op den asem hebben (Waasch Idiot. 280); 't veur de nieren hebben, zwanger zijn (Molema, 545 a); het voor zijn speetjes (?) hebben = dronken zijn (Gew. Weuw. III, 69); het voor zijn kiezen krijgen (ald. bl. 39; ook Harreb. 399; B.B. 151); het voor de nieren hebben, dood gaan (Gallée, 30 b; Draaijer, 27 b); in Twente: 't veur de stikken krîgen, sterven; hij heeft het voor zijn ster (dronken; Nav. 1897; 59); 't op zijn ruiker(d) hebben, zich meer dan anders inspannen (Onze Volkstaal III 254; Menschenw. 312; 431; Lev. B. 95); 't voor zijn kriek hebben (ongesteld, dronken zijn; Boekenoogen, 514; evenzoo bij De Vries, 80, die het ook vermeldt van een vrouw: zwanger zijn); hij het et van dage op de butte, goedgehumeurd (Dr. Bl. II, 51); fri. hy het it for de krint (ongesteld); hy heeft het voor zijn maag (dood; Sewel, 470); hij heeft het hard voor zijn scheenen (kwaad te verantwoorden; Halma, 560); het voor zijn hart hebben (dronken of verliefd zijn; Ndl. Wdb. VI, 10); 't op 't lijf hebben, iets in den zin hebben (Gunnink, 162).

1139. Geen kik laten (of geven).

Dat is: geen geluid geven, niets zeggen; ook: kik noch mik zeggen. In de 18de eeuw vrij gewoon, terwijl het wkw. kicken (nhd. kickern naast kichern) reeds in de middeleeuwen voorkomt, ook in de uitdr. kicken no micken, dat thans in Zuid-Nederland nog gebruikelijk is naast kik noch mik geven; fri. hy joech (gaf) gjin kick; ook gjin kik of mik, kik noch mik. Zie Mnl. Wdb. III, 1426; Ndl. Wdb. IX, 731; C. Wildsch. III, 272: geen kik antwoorden; De Jager, Frequ. II, 222; Harreb. III, 36 b; Dsch. 192: Niemand dee 'n kik (zei een woord) over z'n natte voeten; Jord. 155: Nou kon hij ieder die hem 'n woord te veel zei, den strot afkerven zonder 'n kik; bl. 171; Nog één zoo'n hoos en ze verzopen zonder kik; Sprotje, 32: Geen kik had ze gegeven; Jord. 89; Joos, 48; Waasch Idiot. 341; zie no. 267.

Syn. is geen asem geven, niet antwoorden (Boekenoogen, 1284); fri. azem jaen, zich luide laten hooren; De Vries, 62: Gien asem geven, geen antwoord geven; Landl. 122: De visscherlui waren zóó kregel, dat ze geen van allen op onzen morgengroet 'n spoog asem gaven; bl. 209: 'k Schreeuw door 't luik.... maar geen asem; Jord. 42: Poppen Trui pufte, gaf geen asem; Slop, 58: Geef er 'es asem! (zeg eens wat); Boefje, 95: Geen asem hoor.... geen spreek! Falkl. VI, 58: Hij is zoo schargrijnig dat-ie geen asem geeft as-je met 'm praat; Leersch. 19: Sau je 'n eris eindelijk weer oasem geven; bl. 91: Niks geen asem geve; P.K. 81; Amst. 94; Nkr. VII, 26 April p. 2; I, 16 Mrt. p. 2: De rechter gaf daar geen asem op (antwoordde daarop niet); Allerz. 75: Daar geef 'k geen asem (antwoord) op; Het Zevende Gebod, 113: Geen aasem van de vader, geen boe noch ba; Menschenw. 84: Bin 'k gein asem woart! hai je gein senie in spreke? enz. enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut