Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

adelaar - (arend (Aquila))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

adelaar zn. ‘arend (Aquila)’
Mnl. adeler “arn, eyn vogel” [1477; Teuth.]; vnnl. ein arent off adeler [1518; Murmellius].
Ontleend aan Middelhoogduits adelar, adlar (nu Adler), dat zelf weer is samengesteld (wrsch. in de 12e eeuw) uit adel ‘edel geslacht’ en ar ‘arend’ < Oudhoogduits aro, dat hetzelfde woord is als → arend.
Dit leenwoord heeft het inheemse arend niet vervangen, maar staat er als dichterlijke variant naast. Ook in de wapenkunde wordt meestal van adelaar gesproken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

adelaar [roofvogel] {adeler 1477} < middelhoogduits adelar (hoogduits Adler), van adel + are, dus ‘edele aar’, waarin ‘aar’ de grondvorm is van ons arend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

adelaar znw. m., mnl. adelaer, bij Kiliaen als oostelijk Ndl. aangegeven en zal dus wel uit het Oosten overgenomen zijn, vgl. mnd. adelarn, mhd. adelarn, adelar, adler. Een samenstelling van adel en are, waarvoor zie: arend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

adelaar znw., mnl. adelaer, -er m. (Mill. Handwdb.), Teuth. adeler. Kil. noemt ʼt woord “Ger. Sax.” Dit feit in verband met de omstandigheid, dat adelaar bij ons geen volkswoord is (arend wel), wijst er op, dat deze benaming van du. (resp. oostndl.) afkomst is: mhd. komt adelar, adler, adelarn (nhd. adler), mnd. ādelarn m. “adelaar” voor. Oorspr. = “edele āre” (vgl. arend).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

adelaar. De verklaring als ‘edele āre’ sluit niet in, dat adel als bnw. is op te vatten, zoals v.Lessen Samengest. Naamw. 55 vlg. wil. Zie adelborst Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

adelaar m., + Ohd. adelare (Mhd. adelaar, Nhd. adler), samenstelling van adel, bijvorm van edel (z.d.w.) met aar (z. arend).

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Adelaar Literair-poëtische naam voor Arend ↑. D Adler is in tegenstelling tot N Adelaar wél in gebruik voor officiële vogelnamen (bijv. Steinadler). Calkoen 1903 echter voerde de naam Keizersadelaar = Keizerarend ↑.
ETYMOLOGIE N Adelaar adelaer;D Adler adelare (12e eeuw) (‘edele aar, edele Arend’, Valkeniersterm); mnd adelarn.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

adelaar (Duits Adler)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Adelaar = edele aar, waarin aar feitelijk reeds arend beteekende. Vermoedelijk was de oudste bet. van aar: vogel; het is een verkorting van aren of arn (Gr. Ornis = vogel) en werd door aanhechting van een d bij ons: arend; het duidde, als den vogel bij uitnemendheid, den koning der vogels aan. Voor den oudsten vorm vgl. ’t Mnl.: „Rechte na des Aers sede, Die sine pride (= prooi) node laet gaen”. Opmerkelijk is het, dat adelaar bij ons het deftige en arend het alledaagsche woord is, terwijl het bij de Duitschers met hun Adler (spr. aadler) en Aar juist andersom is.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

adelaar roofvogel 1477 [Teuth.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut