Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

adel - ((voornaam) geslacht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

adel zn. ‘(voornaam) geslacht’
Mnl. adelsone ‘adelszoon’ [1288; MNW] en pas later adel ‘adeldom, edele afkomst’ [1447; MNHWS], deze laatste vorm wrsch. uit vnhd. adel ‘edel geslacht.’ In het Middelnederlands kwam ook een bn. adel ‘edel(geboren), wettig, echt’ voor.
Os. aðal(i) ‘eigendom, afstammeling’; ohd. adal ‘geslacht, afstamming, familie’ [8e eeuw] (nhd. Adel); nfri. adel (en eallju ‘adellijken’); oe. æþelo, æþelu ‘voorname afkomst, afstammeling’; on. aðal ‘aanleg, natuur’ en eþli ‘aard, karakter’. Verder (zoals aanvankelijk in het Middelnederlands) als voorbepaling in samenstellingen: os. aðal- ‘edel(e)-’; oe. æþel-; got. aþala- (in de persoonsnaam Aþalareiks); < pgm. *aþal-, *aþil-. Voor de afleiding pgm. *aþal-ja, *aþil-ja, zie → edel. Daarnaast met lange stamvocaal: os. ōðil ‘erfenis, voorvaderlijk bezit’; ohd. uodal, uodil ‘id.’; ofri. ēthel ‘id.’; oe. ēþel ‘id.’; on. óðal ‘id.’; got. haimoþli ‘bezit, thuis’; < pgm. *ōþal-, *ōþil-. Wrsch. hoort bij het wortelcomplex pgm. *aþal-, *-il-, *ōþal-, *-il- ‘erfgoed, geërfd grondbezit’ ook ofri. edila, edela, ethela ‘(over)grootvader’. De vorm edila kan afkomstig zijn van *adilan- of *ōdilan-, waarbij de -d- door grammatische wisseling uit -þ- moet zijn ontstaan. In dat geval zou edila oorspr. ‘hij die hoort bij het erfgoed; erflater’ (en vandaar ‘voorvader, grootvader’) betekend hebben (Boutkan).
De verdere etymologie buiten het Germaans is omstreden. Een mogelijke verklaring is dat het woord een oude samenstelling pie. *at-alo- ‘erbovenuit groeiend’ zou zijn, bij de wortels pie. *h2et- en *al- < *h2el- ‘groeien’; parallel daarmee zijn Latijn ind-olēs ‘aangeboren talent’, prōlēs ‘nakomeling’ en sub-olēs ‘spruit, nakomelingschap’ (Szemerényi). Het voorvoegsel zit ook in Latijn at-avus ‘overgrootvader’ en in de Gallische persoonsnaam Ategnatus. De basisbetekenis ‘uitgroeien’ zou dan de betekenissen ‘nakomelingen’, ‘erfdeel, erfelijke eigenschappen’ hebben opgeleverd. Volgens Boutkan zijn er evenwel nogal wat argumenten die tegen deze hypothese pleiten. Wrsch. is het etymon niet van Indo-Europese herkomst maar een substraatwoord.
Lit.: O. Szemerényi (1952) ‘The Etymology of German ’, in: Word 8, 42-50; EWgP 108-109; D. Boutkan (1997) ‘Oudfries edila, edela, ethela '(over)grootvader'’, in: Leven in de Oudgermanistiek (= jubileumnummer van het Mededelingenblad van de Vereniging van Oudgermanisten) Leiden 1997

EWN: adel zn. '(voornaam) geslacht' (1288*)
ANTEDATERING: eerst adel bn. in adel sone 'wettige zoon (van een edelman)' [1430-50; MNW-R]
{* Bij de oudste attestatie in het EWN is de datering (1288) onjuist. Die moet zijn: ca. 1444.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

adel [stand der edelen] {<1447>} < hoogduits Adel, vgl. oudengels æðel, oudhoogduits, oudsaksisch adal-; pogingen niet-germ. verwanten te vinden blijven onbevredigend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

adel [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie E. Polomé, RBPhH 44, 107 [1966].

adel znw. m., mnl. adel (zelden voorkomend), os. athali ‘voorname geboorte’, ohd. adel ‘voornaam geslacht’, mhd. adel ‘voornaam, adellijk geslacht’, oe. æðelu ‘voorname afkomst’, on. aðal ‘aard, natuur’. Daarnaast het bnw. mnl. adel ‘edel geboren; wettig, echt’, os. adal-, ofr. ethel-, oe. æðel, ohd. adal- ‘voornaam, adellijk’, vgl. os. ethili, ohd. edili, oe. æðele ‘adellijk, edel’. Got. kent het woord aþala- in PN als Aþalareiks, ook in westgerm. namen als Albert, Albrecht, Aleid.

Op grond van het spaarzame voorkomen van het woord adel in het mnl. meent FW, dat het uit het hd., ontleend kan zijn. Ablautend staat daarnaast het germ. *ōðala vgl. os. ōthil, ohd. uodal, uodil, ofri. ēthel, ēdel, oe. ēðel, on. ōðal ‘erfgrond, vaderland’. Kieft, Homonymie 39-41 overweegt de mogelijkheid, dat adel door het gelijkluidende adel ‘stercus’ in mnl. verdween en dan later weer uit het nhd. overgenomen werd. — Buiten het Germ. zijn er geen zekere verwanten aan te wijzen. Gewaagd is de etym. van Szemerényi Word 8, 1952, 42-50 uit een grondvorm *at-alo te vergelijken met lat. indoles ‘natuur, aangeboren eigenschap’ (< *endo-ales), proles ‘nakomelingen’ < *pro-ales) en dan dus bij de wl. *al ‘voeden’. Maar hoe komt dan het accent op het voorvoegsel te rusten? — De verbinding met oiers aite ‘pleegvader’ en verder met het ‘lallwort’ atta (bekend in het got., lat. en gr., vgl. ook oi. atta ‘moeder’) wordt nog IEW 71 mogelijk geacht. — Betekent het woord adel de klasse die erfelijk grondbezit had (zoals Neckel, PBB, 41, 385 ff. meende)? In de bet. ‘edele geboorte; de edelen’ komt het woord eerst sedert het eind der 15de eeuw voor, wat een ontlening aan het hd. wel waarschijnlijk maakt. De bet. ‘edele gezindheid’ stamt uit de taal van de mystieke geschriften.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] adel. Zal althans in een deel van ’t ndl. gebied onafgebroken bestaan hebben: vgl. Limb. Serm. ādel-kent o. “wettig, waardig kind”, Heelu ādel-sōne m. “wettige zoon van een edele”. — Schrap Alfons.

adel znw. = ohd. adal o. “geslacht, voornaam geslacht”, mhd. adel m. o. “id., adelstand, aanzienlijke afkomst” (nhd. adel m.), os. athali o. “adel”, ags. æðelu o. mv. “voorname afkomst”, on. aðal o. “aard, natuur”. Ndh. adel (mnl. ādel m. komt zeer zelden voor) is waarsch. uit het Duitsch ontleend, evenals de., zw. adel “adel” terwijl edel (zie aldaar) van ouder tot ouder in het Ndl. heeft bestaan. Algemeen-germaansch en zeer oud is *aþal- als eerste lid van eigennamen: Albert, Albrecht uit *Abalƀërɀta-, evenzoo Allard, Aleid, Alfons e.a. Naast *aþala- (-ila-, -ula-) een vrddhi-afl.: ohd. uodal, uodil o. (nhd. Ulrich < ohd. Uodalrîch), os. ôthil (m.?), ofri. êthel, êdel, ags. êðel m., on. ôðal o. “erfgrond, vaderland"; misschien hierbij met ander suffix on. ôðri “beter, voornamer”. Als de bet. “afstamming” de oudste is, zou men aan verwantschap met de ospr. onomatop. basis van ier. aite “pleegvader”, lat. atta, gr. átta “vadertje”, obg. otĭcĭ, alb. at “vader”, oi. attâ- “moeder, oudere zuster”, atti- “oudere zuster” kunnen denken. Maar wellicht moeten wij voor germ. aþ-, ôþ- veeleer van de grondbet. “goed” uitgaan.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

adel. Het is wellicht beter os. athali te vertalen met ‘voornaam geslacht”. Opmerking verdient, dat os. athali o. en ags. æðelu o. mv. ia-stammen zijn naast ohd. adal, on. aðal o., die op *aþala- wijzen. Uit het Got. moge de oostgot. persoonsnaam Athalaricus (got. *Aþala-reiks) worden vermeld.
Met het oog op samenstt. als mnl. ādelsōne, ādelkint (Handwb. nog enkele andere) drukt v.Wijk zich in de aanvulling op het artikel adel wat voorzichtiger uit omtrent de ouderdom van het woord in de Nederlanden. Zulke woorden, die of (zuid-)oostelijk of (blijkens uitsluitende vermelding in het Handwb.) laat voorkomen, behoeven ons geen aanleiding te geven de in het art. uitgesproken mening omtrent de ontl. van het woord uit het Duits te wijzigen, temeer daar de samenst. vóór het simplex (in het Mhd. komen de meeste der mnl. samenstt. voor) kan zijn ingedrongen.
Alfons moet geschrapt worden (v.Wijk Aanv.). Over Aleid zie nog bij adelborst Suppl.
Van de vṛddhi-afll. is ofri. êthel, êdel zowel m. als o.
Neckel PBB. 41, 385 vlgg. gaat voor *aþala- uit van de bet. ‘erfelijk grondbezit’. De germaanse ‘nobiles’ zouden dan oorspronkelijk niet anders dan ‘erfelijke grondbezitters’ zijn geweest. Met de schaarse gegevens is over de juistheid van deze hypothese moeilijk te oordelen. In ieder geval is het zeer wel denkbaar, dat de bett. ‘afstamming, geslacht, aard’ uit de genoemde grondbet. zijn ontwikkeld (vgl. aard I). Bij deze opvatting zal on. ø̂ðri ‘beter, voornamer’ niet verwant kunnen zijn. De door v.Wijk weifelend voorgestelde combinatie met ier. aite ‘pleegvader’, lat. atta, gr. átta ‘vadertje’ enz. blijft mogelijk, maar is wegens het duidelijk “lallwort”-karakter dier woorden niet aan te raden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

adel m., Mnl. adel, Os. athal + Ohd. adal (Mhd. en Nhd. adel), Ags. æđelu, Ofri. ethel, On. ađal (Zw. en De. adel), Go. aþal (alleen in den eigennaam Aþalareiks); de Germ. wrt. ath met zijn ablaut ōth (Os. ôthil, Ohd. uodal, Ags. éđel, Ofri. éthel, On. óđal) bet. geslacht, voorname afkomst, erfgrond, en is in vele eigennamen te vinden, als Ulrik, Albrecht, Adele. Uit Ohd. inuodili = ingewand, blijkt dat het begrip “afkomst” zich uit het begrip ingewand ontwikkeld heeft, en het woord verwant is met ader.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1adel s.nw.
1. Hoedanigheid van tot die hoogste stand te behoort. 2. Die gesamentlike edeles. 3. (fig.) Edele aard, voortreflikheid, edelheid.
Uit Ndl. adel (al Mnl.).
Ndl. adel uit Hoogduits Adel. Vroeëre Germ. verwante vorme is Oudhoogduits adal 'geslag, vername geslag', Oudnoors aðal 'aard, natuur' en Oudsaksies athali 'vername geboorte'. Die bet. 'edele gesindheid' (vgl. bet. 3) kom aanvanklik uit die taal van die mistieke geskrifte.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

adel (Duits Adel)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Adel is oorspr.: vaderen, geslacht, voorgeslacht (in ’t Got. is atta = vader). Slechts de voornámen, de aanzienlijken hadden oudtijds een geslacht, een afstamming, een lijst van vaderen, een stamboom. Zoo verkreeg adel de bet. van: edele, voorname afkomst en als verzamelnaam: al de edelen. Adelborst is oorpr. edele borst (zie Borst).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

adel ‘stand der edelen’ -> Deens adel ‘stand der edelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors adel ‘stand der edelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds adel ‘hoogste sociale klasse waarbij privileges erfelijk zijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins aateli ‘hoogste sociale klasse, adelsklasse’ ; Ests aadel ‘stand der edelen’ (uit Nederlands of Duits); Javaans adhel ‘stand der edelen’; Papiaments † adel ‘stand der edelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

adel stand der edelen 1447 [HWS] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut