Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

adam - (naam van de eerste mens)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Adam [naam van de eerste mens] {Adaem 1265-1270} < hebreeuws ʼādhām [mens], verwant met ʼadhāmā [grond] (vgl. homo1, bruidegom).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Adam (Hebreeuws ʾādām)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Adam, de eerste mens, die zijn bestaan in het paradijs begon, door Eva's appel tot de zonde werd verleid en stamvader van de mensheid werd; (fig.; in verg.) oermens, prototype van de mens of van de man, ook genoemd om iets uit lang vervlogen tijden te karakteriseren, of ter aanduiding van een naakte of eenzame man.
Adamsappel, het vooruitstekende bovenste gedeelte van het strottenhoofd bij de man.
In adamskostuum, naakt.

Adam wordt in de verschillende lezingen van het scheppingsverhaal in Genesis nog als de mens aangeduid; in de Statenvertaling (1637) wordt hij pas in Genesis 4:25 Adam genoemd. Buiten zijn stamvaderschap is het zijn naaktheid die een rol speelt, en die ook in de bijbel expliciet wordt genoemd: 'Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar' (Genesis 2:25, NBV). Verder wordt hij vooral genoemd als de mannelijke helft van het eerste mensenpaar.
De Adamsappel was aanvankelijk de naam van een appelsoort, en heeft pas later de anatomische betekenis gekregen, verwijzend naar de verboden vrucht die Adam in de keel zou zijn blijven steken (zie ook Appel, Zondeval).

Rijmbijbel (1271), v. 423-426. Hoert van adame dat besceet / God maectene alse hier voren steet / van der herden van den lime / Na den vlesche eist dat ic riime (Hoor het verhaal van Adam. God schiep hem zoals hiervoor staat uit het slijk van de aarde; zo vertel ik u.)
Dat ik alleen ben op de wereld als Adam. (G. Achterberg, Verzamelde gedichten, 1985 (Adam, 1949), p. 648)
Tenslotte stond hij daar bloot als vader Adam aan de zoom van de beek, die zo verleidelijk door het kreupelbos ruiste. (A. van der Lugt, De Claere Waerheit, 1992, p. 222)
Die koe is zo oud, daar heeft Adam nog onder leren melken. (Gehoord, jaren '90)
Deze functionaris [...] heeft een geweldige adamsappel en borstharen die als een scheerkwast uit zijn boord groeien. (NRC, maart 1995)
Of: hoe hij een bezoek had gebracht aan de krater van de vulkaan Salak, en daar in adamskostuum tussen de kokende zwavel- en modderbronnen had rondgewandeld. (H.S. Haasse, Heren van de thee, 1992, p. 42)

Adam en Eva, het eerste mensenpaar, dat een volmaakt bestaan in het paradijs leidde, tot de zondeval; (fig., in verg.) onze oerouders; prototype van man en vrouw als paar; verknocht, onbedorven of naakt paar.
Beginnen bij, terugaan naar Adam en Eva, beginnen bij het allereerste begin, de eerste beginselen (bijvoorbeeld bij het bespreken of tot stand brengen van iets).

De eerste mensen als paar figureren in verschillende passages in Genesis. Bij de schepping, als God een partner schept voor de mens, bij de zondeval als zij van de verboden boom eten, als het paar uit het paradijs verjaagd wordt, en tenslotte als ouderpaar. Hoewel de namen nooit samen in de bijbel worden genoemd, zijn ze als de verbinding in andere teksten al lange tijd bekend. Ook door de lange traditie van afbeeldingen is dit namenpaar in de taal verankerd. Zie ook Zondeval.

Rijmbijbel (1271), v. 583-84. Doe eua ende adaem waren ghemaect / waren si bedegader naect. (Toen Eva en Adam waren geschapen, waren zij beiden naakt.)
Allemaal zijn ze er [...] zo'n kleine vijftig jaar lang keer op keer in geslaagd om dit volmaakt onschuldig echtpaar, deze Adam en Eva, deze niet ouder wordende mensenkinderen met bevreemde discretie tegemoet te treden [situatie: de vrouw gebruikt de bijnaam Piel voor haar man ook als er vreemden bij zijn]. (N. Matsier, Gesloten huis, 1995 (1994), p. 72)
Iets dat iedereen in de zaal, sinds 1669, en sinds Adam en Eva, van kindsbeen kent: de sensatie buitengesloten te worden. (NRC, nov. 1994)
We hoeven niet helemaal terug naar Adam en Eva. Er zijn genoeg resten van het verleden, afgedankte ideeën die we weer goed kunnen gebruiken in combinatie met nieuwe opvattingen. (De Volkskrant, 28-2-1998, p. 7)
Tegenwoordig is Marga Klompé een heldin voor bijstandsmoeders en feministen. Maar evengoed staat zij voor de verzoening tussen Adam en Eva in een feminiene verzorgingsstaat. (D.-J. van Baar en A. Kok, De Millennium Top-40, 1999, p. 87)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

Adam ‘naam van de eerste mens’ -> Negerhollands adam ‘naam van de eerste mens’.

Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

Adam, andere naam voor ecstasy*, een synthetische drug (designerdrug*), door de farmaceutische firma Merck uit Darmstadt al in 1914 ontwikkeld. Farmaceuten spreken van ‘methylenedioxymetamfetamine’, afgekort tot MDMA. Omstreeks 1985 voor het eerst in Nederland gesignaleerd. Gebruikers ervan moeten voornamelijk gezocht worden in trendy kringen in de Randstad. De naam is wellicht een staaltje van ‘backslang’, een speciaal taalgebruik waarbij alle woorden omgedraaid worden. Het zou dan een omkering zijn van het acroniem MDMA, waarbij de tweede m weggelaten wordt en de rest van het woord als Adam uitgesproken wordt. Misschien wordt er met de naam eveneens gezinspeeld op het paradijs of het hemelse geluk dat deze drug zou verschaffen? Een soortgelijke designer drug noemt men in het slang Eva.

Andere namen voor Ecstasy zijn XTC, Adam en MDMA. (Elsevier, 07/03/87)
Het zijn vaalwitte pillen ter grootte van een vitamine C-tabletje en ze worden verkocht voor rond de 35 gulden. De naam: Ecstasy, XTC of ADAM. (Nieuwe Revu, 28/07/88)
Al maanden deden in Amsterdam geruchten de ronde over een nieuwe wonderdrug. Ecstasy, MDMA, ADAM of kortweg XTC zou de cocaïnemarkt aan het verdrijven zijn. (Haagse Post, 06/08/88)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

49. Adam.

De naam van Adam, den eersten mensch, komt in vele zegswijzen voor. Wil men een familiebetrekking aanduiden, die zóó ver verwijderd is, dat niemand ze zou kunnen uitrekenen, dan zegt men, dat het een bloedverwant is van Adams wege (ook in het Waasch Idiot. 50 b) of zooals men in Zuid-Nederland zegt langs Adams kant (Joos, 97; fr. du côté d'Adam; hd. von Adam her verwandt). Van iemand die naakt loopt, wordt gezegd, dat hij dat doet in adamskostuum of adamskleeren (fr. l'habit du père Adam; eng. in Adam's suit (coat) of ook in paradijskostuum. Eet iemand met de hand of met de vingers, zooals ook Adam dit gedaan moet hebben, dan gebruikt hij zijn adamsvork (Molema, 286 a; vgl. fr. la fourchette du père Adam; eng. Adam's fork). Het vooruitstekende bovenste gedeelte van het strottenhoofd noemt men den adamsappel (fr. la pomme d'Adam; hd. der Adamsapfel; eng. the Adam's apple), in W.-Vlaanderen ook kelebeier geheeten, naar de overlevering der rabbijnen, volgens welke een stuk der verboden vrucht den aartsvader in de keel bleef steken en deze deed zwellen.Zie Volkskunde XXIII, 196; A. de Cock, Natuurverklarende Sprookjes, 61-63, waar ook nog een ander sprookje voorkomt. Het zondig beginsel in den mensch, de erfzonde, wordt ook aangeduid met den naam Adam in de zegswijze de oude Adam, de oude geneigdheid tot zonde. ‘Wanneer wij in iemand, die reeds begonnen is het kwade na te laten en het goede te doen, ontdekken, dat hij nog aan de vorige zonden zich schuldig maakt, dan wijten wij het aan den ouden Adam, die nog niet geheel is afgelegd’; Archief I, bl. 5. Zoo krijgt de uitdr. ‘den ouden Adam afleggen’ of ‘uittrekken’ de beteekenis van de geneigdheid tot zonde laten varen, zich verbeteren, waarmede hetzelfde bedoeld wordt als met den ouden mensch afleggen (Ephes 4, 22). Zie verder het Ndl. Wdb. I, 769-770; 1129; Zeeman, 37; 513: Korenbl. II, 213 en vgl. bij Maerlant Sp. Hist. III4, 45, 72:

 Nu doen wi af den ouden Adam,
 Die noch in desen es met berste,
 Ende laet ons andoen Jhesum Kerste
 Den jongen Adam.Vgl. hiermede Tijdschrift XXII, 24: Doe (toen Jezus de hel verbrak) ontspranc die oude Adam ende [sprac] alle sijn menschelike gheslacht an ende seide: ‘Nu ist tijt op te staen, dat wi den nuwen Adam ontfaen: hi heeft menschelike cleder an ghedaen.’

Anna Bijns, Refr. 323: Wilt uut Adams rock trekken, doet Christum aen, ghij sult veel rusten erven; bl. 297: Doet Christum ane, wilt uut Adam ruymen. Fr. dépouiller le vieil Adam, le vieil homme; hd. den alten Adam oder den alten Menschen ausziehen; eng. to lay aside the old Adam; to put off the old man.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut