Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

actuaris - (beheerder van geldmiddelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

actuaris zn. ‘wiskundige bij verzekeringsmaatschappij’
Nnl. actuaris ‘beheerder der geldmiddelen’ [1754; WNT Supp.], daarvoor alleen actuarius ‘(openbaar) schrijver’ [1669; Meijer onder Konstwoorden]. In de huidige betekenis: actuaris ‘wiskundige bij een verzekeringsmaatschappij’ [1922; WNT Supp.].
Ontleend aan Latijn āctuārius ‘stenograaf, secretaris, rentmeester’, van ācta (mv.) ‘behandelde zaken’, āctum ‘handeling’ (zie → actief) en het achtervoegsel -ārius ‘(persoon) verband houdend met, uitvoerend’, zie → -aar.
De oude betekenis is verdrongen ten gunste van de huidige, die overgenomen is van Engels actuary ‘wiskundige bij een verzekeringsmaatschappij’ [1849; OED], eerder ‘administrateur, archivaris’ [1553; OED], dat dezelfde oorsprong heeft als het Nederlandse woord.

EWN: actuaris zn. ‘wiskundige bij verzekeringsmaatschappij’; de betekenis 'verzekeringswiskundige' (1922)
ANTEDATERING: Congres van Actuarissen '... verzekeringswiskundigen' [1898; Leidsch dagblad 25/5]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

actuaris [wiskundig adviseur] {1754} < latijn actuarius [rentmeester van kerkelijk bezit, secretaris], van acta, mv. van actum [het verhandelde], o. verl. deelw. van agere [handelen].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

aktuaris s.nw.
Wiskundige amptenaar wat versekeringsrisiko's en -premies bereken.
Uit Ndl. actuaris (1922) of Eng. actuary (1849).
Ndl. actuaris en Eng. actuary uit Latyn actuarius 'skrywer, beheerder van geldmiddele'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

aktuaris: “wiskundige wat versekeringspremies en -risiko’s bereken en maatskappye adviseer”; Ndl. actuaris/aktuaris, Eng. actuary uit Lat. actuarius en dus doeb. v. aktuarius (q.v.), “akteskrywer, klerk”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

actuaris ‘beheerder van geldmiddelen’ -> Zuid-Afrikaans-Engels actuarius ‘functionaris van de Nederduits Hervormde synode’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

actuaris wiskundig adviseur 1754 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut