Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-achtig - (gelijkend op; voorzien van)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-achtig achterv. dat bn. vormt met de betekenis ‘gelijkend op’ of ‘voorzien van’
Enerzijds onl. -haft in traghaft ‘verdrietig’ en eht (< *ēhaft, zie → echt) ‘waarlijk’ [10e eeuw; W.Ps.], mnl. wonacht (< -haft) ‘woonachtig’ [1200; CG II, Servas] (naast mnl. wonaftich [1282; CG I, 494]). Anderzijds mnl. -echt in bijv. busgegt ‘bosrijk’ [1240; Bern.].
In dit achtervoegsel zijn twee vormen samengevallen die elk in de loop van de 12e-13e eeuw met het achtervoegsel → -ig werden uitgebreid, waarna de oorspr. enkelvoudige achtervoegsels geleidelijk verdwenen. Enerzijds is dat -(h)acht- (en met secundaire umlaut ook -echt-), dat klankwettig (zie → achter) is ontwikkeld uit -haft-, bij de wortel van het werkwoord → hebben. Hiernaast stond anderzijds het oorspr. achtervoegsel -eht uit Proto-Germaans *-iht-, *-aht-. Doordat deze achtervoegsels nagenoeg dezelfde betekenis ‘behept met, horend bij, voorzien van’ hadden, vielen ze later ook samen in vorm: in het zuiden ontstond -echtich, in het noorden -achtich. Na de 17e eeuw is, onder invloed van de standaardtaal, het pleit in het voordeel van -achtig beslist. In sommige zuidelijke dialecten wordt nog -echtig gebruikt. De oorspr. vorm op -aftig vinden we nog in het Duits, en daardoor in leenwoorden als heldhaftig en krijgshaftig.
Lit.: W. Pijnenburg (1993) ‘100 jaar achtig. Over de wording van een samengesteld suffix’, in: ABäG 37, 33-48

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-achtig* [achtervoegsel dat bn. vormt] {in bv. de(e)lachtech 1237} middelnederduits -achtig, middelhoogduits -haftig; ontstaan uit middelnederlands -haftig, vgl. wonaftich [woonachtig] {1282} van -haft, vgl. treghaft [treurend] {901-1000} (vgl. echt1), dat identiek is met middelnederlands (h)acht, haft [gevangen, behept met]; buiten het germ. latijn captus [gevangen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

-achtig achterv., mnl. (h)aftich, -eftich, -achtich, -echtich, mnd. -achtig, -echtig, mhd. -haftig, owfri. -(h)aftig, -heftig, afgeleid van ouder -haft (zie: echt 1), vgl. os. stedihaft ‘vast’, ohd. êrhaft ‘eerwaardig’, got. audahafts ‘begenadigd’. Naar de vorm hetzelfde woord als germ. *hafta- ‘geboeid, gevangen’, vgl. os. haft, haht, ‘gevangen, zwanger’, ohd. haft ‘geboeid’, oe. hæft, on. haptr, got. hafts ‘geboeid, gevangen’. — lat. captus ‘gevangen’, oiers cacht ‘dienares’, kymr. caeth ‘gevangene, slaaf’. — Zie: hechten, hebben en heffen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

-achtig suffix tot vorming van bnww., mnl. -achtich (gh), bijv. eerachtich “eerwaardig, geëerd”. Uit -haftig ontstaan; de h viel inlautend klankwettig weg. Evenals mhd. (nhd.) -haftig, mnd. -achtich, -echtich, owfri. (h)aftig, -heftig gevormd van het kortere -haft (zie echt I), vgl. ohd. êrhaft “eerwaardig, braaf”, os. stedihaft “vast”, got. audahafts “begenadigd”. Dit germ. -*ɀafta- eig. “behept met” is formeel identisch met het bnw. ohd. haft “geboeid, gevangen”, os. haft, haht “gevangen, zwanger”, ags. hæft, on. haptr m. “gevangene, slaaf”, got. hafts “geboeid”, buiten het Germ.: kymr. caeth “gevangene, slaaf”, ier. cacht v. “dienares”, lat. captus “genomen, gevangen”. Zie hechten en vgl. over den wortel qap- verder bij hebben en heffen. De jongere bet. van -achtig “lijkende op” mag ons geen aanleiding geven, een dubbelen oorsprong voor dit suffix aan te nemen. De vorm -haftig, bijv. krijgshaftig, berust op hd. invloed. Bij 17-eeuwsche schrijvers komt deze vorm van ʼt suffix nogal voor.

[Aanvullingen en Verbeteringen] -achtig. Adde: Limb. Serm. deilagt “deelachtig”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

-achtig. Voor het Mnd. moet -(h)aftich, -eftich als de meest voorkomende vorm genoemd worden vóór -achtich, -echtich. — Bij ohd. êrhaft enz. vgl. ook Limb. Serm. deilagt ‘deelachtig’ (v.Wijk Aanv.), Serv. wonacht ‘woonachtig”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

-achtig suffix, met aphaerese der h en verandering der f in ch vóór t, uit -haftig (z.d.w.). Bij velen geldt die uitlegging alleen, doch ten onrechte, voor het beklemtoonde suff. als in woonachtig; het onbeklemtoonde, als in blauwachtig, ware een dubbel suffix: -acht en -ig; dit acht is Ohd. oht (Mhd. oht, eht, Nhd. icht), Ags. ihte.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

-achtig ‘achtervoegsel dat bijvoeglijke naamwoorden vormt’ -> Deens -aktig ‘achtervoegsel dat bijvoeglijke naamwoorden vormt’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors -aktig ‘achtervoegsel dat bijvoeglijke naamwoorden vormt’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds -aktig ‘achtervoegsel dat bijvoeglijke naamwoorden vormt’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut