Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

achterkousig - (achterdochtig)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

achterkousig [achterdochtig] {ca. 1600} van achter en kous, dat we moeten zien als een aanduiding voor het vrouwelijk geslachtsdeel. Er hebben tal van dergelijke depreciërende samenstellingen bestaan, zoals ‘mopperkous, nufkous’ en ‘schijtkous’. Toen de betekenis niet langer duidelijk was, kon een woord als ‘zeurkous’ ook als aanduiding van een man worden gebruikt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

achterkousig bijv.(achterdochtig), + Mhd. afterkoese: zooveel als geneigd tot achterklappen (z. kous 2).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

achterkontig achterdochtig (Zuid-Utrecht). Volksetymologisch ‹ achterkousig ↑.
Scholtmeijer 56.

achterkousig, afferkoesig onoprecht, achterdochtig (Veluwe, Urk, Noord-Holland). = fri. efterkoezich ‘achterdochtig’, afl. bij mhgd. afterkoese. Het eerste element is ook aanwezig in: achterklap en betekent: ‘achter iemands rug’. Het tweede element zit ook in babbelkous en wvla. kouseklap ‘kletspraat’ en verder in mnl. koytsen ‘babbelen’, mhgd. kalzen ‘snoeven’, ofri. kaltia ‘praten’ en nl. kouten, alle ~ kalle ↑ ‘spreken’. Voor het vocalisme vergelijke men Woerkum, de uitspraak van Woudrichem, ‹ 11e-eeuws Uualeringhe(m).
Van Schothorst 95, Daan 1942, 358, Pannekeet 17, WNT VII 5869, EWD 33, Künzel/Blok/Verhoeff 408.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut