Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

achterdocht - (kwade dunk, wantrouwen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

achterdocht zn. ‘kwade dunk, wantrouwen’
Vnnl. achterdocht ‘twijfel, zorg, angst’ [1599; Kil.], ook ‘bezorgdheid over de toekomst, vrees voor gevaar’, zoals arch achterdocht ‘ernstige achterdocht’ [1619; WNT].
Afleiding van het Middelnederlandse werkwoord achterdenken ‘overdenken, zich bedenken’, zie → denken. (< pgm. *þankjan-).
Het zn. pgm. *þanht- dat hierbij hoort, zou volgens de klankwettige ontwikkeling, via *þāht-, mnl. -dacht moeten geven. De vorm met o is Noordzee-Germaans, zoals in ofri. thochta ‘geheugen, gedachte’; oe. þōht ‘gedachte’ (ne. thought), waar hetzelfde verschijnsel optreedt. Het zal geen toeval zijn dat Kiliaan in 1599 uitdrukkelijk vermeldt dat de vorm met -docht Hollands is. Het verband met denken, dacht werd wrsch. niet meer gevoeld, zodat deze dialectvorm in de standaardtaal gehandhaafd bleef.
achterdochtig bn. ‘wantrouwend’. Vnnl. achter-dochtigh [1622; WNT Supp.].
Lit.: C. van Haeringen (1923) ‘Sporen van Fries buiten Friesland II’, in: TNTL 42, 266-291, hier 282-288 over docht, brocht

EWN: achterdocht zn. 'kwade dunk, wantrouwen' (1599)
ANTEDATERING: hinder ofte achterdocht 'nadeel of bezorgdheid' [1520; iWNT verzwijgen]
EWN: ♦ achterdochtig bn. 'wantrouwend' (1622)
ANTEDATERING: ... Staegh afterdochtigh leeft 'voortdurend met achterdocht leeft' [ca. 1610; iWNT]; ook: afterdochtigh 'met zorg om de toekomst' [ca. 1610; iWNT winneloos]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

achterdocht* [argwaan] {1599} met dial. o i.p.v. a als in overtollig, bij middelnederlands achterdenken [iets overdenken, i.h.b. het eigen handelen met berouw, vandaar als zn. berouw, inkeer, verdenking, achterdocht] {1564}.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

achterdocht znw. v. m., een holl. woord volgens Kiliaen, die het voor het eerst vermeldt. Oorspr. ook ‘het achterna denken’, vgl. mnl. achterdenken.

De o van docht verklaart van Haeringen Suppl. 3 uit de lange geronde klinker, die in de kustdialecten uit germ. anh ontstaat (Ts. 42, 1923, 282).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

achterdocht znw., sedert Kil., die ʼt woord “Holl.” noemt. In ʼt Oudnnl. vaak = “het achterna overdenken”, in aansluiting aan ʼt mnl. oudnnl. ww. achterdenken, -docht niet = got. þûhtus m., “meening”, wat formeel mogelijk zou zijn, maar dial. uit -dacht ontstaan (vgl. gedachte en dunken).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

achterdocht. De o in -docht is wsch. niet uit a ontstaan, maar eerder een verkorting van de lange geronde vocaal, die in “ingwaeoonse” diall. ontstond in de verbinding -aŋχ- (> -ą̂χ- >-ôχ-): Tschr. 42, 282 vlgg. Zie nog bij gedachte en bij denken Suppl. en zacht Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

achterdocht v., met dial. o voor a, evenals overtollig; Mnl. verbaalabstr. van achterdenken = berouw hebben, wantrouwig zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

agterdog s.nw.
Gevoel van wantroue of vermoede dat iets vals, sleg of nie pluis is nie.
Uit Ndl. achterdocht (1599), 'n onreëlmatige vorm van achterdacht, met lg. 'n afleiding van die verouderde ww. achter-denken 'nadink'. Achterdocht het vroeër 'die nadink oor iets' beteken, later 'besorgdheid oor die toekoms', en vandag word dit in bg. bet. gebruik. Die o in achterdocht kom uit die lang geronde klinker wat in die kusdialekte uit Germ. anh ontstaan het (De Vries - De Tollenaere 1997). Eerste optekening in vroeë Afr. op 5 Julie 1658 in die vorm achterdoch (Resolusies van die Politieke Raad, C.1).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Achterdocht, voor achterdacht, van een ww. achterdenken, evenals aandacht van aandenken; in ’t mnl. alleen achterdenken in dien zin; de o is naast de a ontstaan, evenals in de vormen brocht, docht in de spreektaal, en zelfs in ’t Vla. gemocht naast gemaakt. In achter zit hier hetzelfde ongunstige, dat men in achterbaks, in een achterafje, in achterkoussig en derg. heeft. Achterdenken is synoniem met nadenken, en heeft oorspronkelijk die ongunstige beteekenis niet. B.v. Spieghel zegt: “Die door achterdocht kan eighen zin begheven,” (Hertspieghel 7, 111). Krul: “Onbedachte liefde bracht menig in ’t verdriet; Pleeg raed met achterdocht” (Pamp. Wereld 3, 26).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

achterdocht* argwaan 1599 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut