Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

accumulator - (apparaat voor het opslaan van elektrische energie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

accumulator zn. ‘apparaat voor het opslaan van elektrische energie’
Nnl. accumulateur ‘apparaat voor het opslaan van energie’ [1875; WNT Supp.], accumulator [1908; WNT Supp.].
Internationaal woord, gezien de uitgang eerst ontleend aan het Frans [1870; Rey], maar al eerder bestaand als Engels accumulator ‘id.’ [1833; OED], en nog eerder, zowel in het Frans als het Engels, in de betekenis ‘hij die verzamelt, ophoopt’ ontleend aan Latijn accumulātor ‘id.’, nomen agentis bij accumulāre ‘ophopen, opstapelen’, gevormd uit → ad- en cumulāre ‘stapelen’, afleiding van cumulus ‘stapel’, een woord van onduidelijke herkomst.
accu zn. ‘accumulator’. Nnl. accu [1919; WNT]. Verkorte vorm van accumulator. ♦ accumuleren ww. ‘opeenstapelen’. Vnnl. accumuleren [1524; MNHWS]. Al dan niet via Frans accumuler [begin 14e eeuw] ontleend aan Latijn accumulāre. Zonder voorvoegsel, maar met weinig semantisch verschil, ook. ♦ cumuleren ww. ‘opeenhopen’. Vnnl. cumuleren ‘id.’ [1650; Hofman]. Ontleend via Frans cumuler ‘id.’ aan Latijn cumulāre.

EWN: accumulator zn. ‘apparaat voor het opslaan van elektrische energie’; de betekenis 'apparaat voor de opslag van elektrische energie' (1908)
ANTEDATERING: accumulator "ophooper van de electriciteit" [1881; LC 31/12]
EWN: ♦ accu zn. ‘accumulator’ (1919)
ANTEDATERING: toepassingen van accu's [1904; Vlissingsche courant 25/11]
EWN: ♦ cumuleren ww. ‘opeenhopen’ (1650)
ANTEDATERING: Cumuleren is sijne heesch breeden of vermeerderen '(juridisch) cumuleren is zijn eis verbreden of verhogen' [1558; iWNT]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

accumulator [energiereservoir] {1875} < latijn accumulator [die of wat ophoopt, vergaart], van accumulare (verl. deelw. accumulatum) [ophopen, stapelen], van ad [naar … toe] + cumulare [idem], van cumulus [stapel, hoop].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

accumulator (Latijn accumulator)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Accumulator (Lat.; = ophoper, opstapelaar; accumuláre = ophopen, opstapelen; < → ad- (2), + cumuláre = ophopen; cúmulus = hoop). Toestel voor het ophopen van electriciteit; dikwijls afgekort tot accu.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

accumulator ‘energiereservoir’ -> Jakartaans-Maleis dialect aki ‘energiereservoir’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

accumulator energiereservoir 1875 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut