Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

acacia - (plantengeslacht (Acacia))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

acacia zn. ‘plantengeslacht (Acacia)’
Vnnl. Dit stekende ghewas wordt gheheeten in Griecx ende in Latijn Acacia, ende anders gheenen naem es ons bekent [1554; Dodon.].
Ontleend aan Latijn acacia < Grieks akakía, door sommigen gezien als een afleiding bij akís ‘scherp voorwerp’, ak- ‘punt’; waarbij de plant dan zo genoemd zou zijn vanwege de doornen. Dat lijkt niet wrsch.; eerder gaat het om een voor-Grieks woord of een woord dat mogelijk uit de Oriënt stamt.
De Acacia is een tropisch en subtropisch plantengeslacht. In Middelnederlandse geschriften komt alleen de Latijnse benaming voor, die dan veelal gelijkgesteld wordt met de sleedoorn. Bij uitbreiding werd ook het sap van de acacia of de sleedoorn acacia of acatia genoemd; het werd graag in geneesmiddelen gebruikt. Dodonaeus onderscheidt de acacia en de sleedoorn, maar noemt het sleedoornsap nog wel acatia. In het Nieuwnederlands wordt met acacia of witte acacia ook vaak de tot een andere familie behorende, in de 17e eeuw uit Noord-Amerika geïmporteerde boomsoort Robinia pseudoacacia aangeduid, inmiddels plaatselijk verwilderd en ook wel gebruikt als aanplant in lanen.

EWN: acacia zn. ‘plantengeslacht (Acacia)’ (1554)
ANTEDATERING: mnl. Nemt acacia 'neem acacia (product van de boom)' [1351; MNW-P]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

acacia [boom, sap daarvan] {1351-1400 in de betekenis ‘sleedoornsap’; plantennaam 1554} < latijn acacia < grieks akakia, evenals het verwante kaktos > cactus van voor-gr. herkomst.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

acacia znw. m. ‘plantengeslacht’, evenals nhd. akazie < lat. acacia < gr. akakía, afl. van akís ‘punt’, oorspr. een egyptische boom.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

acacia znw., nog niet bij Kil. Dit ook in andere talen voorkomende woord is het lat. acacia, uit gr. akakía.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

acacia v., gelijk in alle talen, uit Lat. acacia, van Gr. akakía, wellicht van Egypt. oorsprong.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

akasia s.nw.
Geslag bome met haak-en-steek en koorsboom as die bekendste S.A. soorte.
Uit Ndl. acacia (1554).
Ndl. acacia uit Latyn acacia uit Grieks akakía, afleiding van akía 'punt', wsk. die Griekse vertaling van 'n Egiptiese naam. Oorspr. gesê van die doringagtige soorte wat in Egipte voorkom, maar brei later uit om na die hele geslag te verwys, dus ook na die soorte wat geen dorings het nie.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

aca’cia (de, -’s), (veroud.) flamboyant, een boom met een schermvormige kroon en rode bloemen, uit Madagascar (Delonix regia, Krerekrerefamilie*). Vele [straten in Paramaribo] zijn met boomen beplant, in vroeger jaren oranjeboomen*, later tamarinde- en mahonieboomen, acacia’s, koningspalmen*, enz. (Enc.NWI 551). - Etym.: Boomvormige acacia’s en de flamboyant lijken op elkaar. - Opm.: Acacia is de wet. naam van een genus (Officierskwastjefamilie*) waarvan liaanvormige vertegenwoordigers in Suriname voorkomen.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

akasia: ben. blb. sedert 16e eeu in toenemende mate in intern. gebr. vir groep peulplante (fam. Leguminosae) wat in S.A. inheemse soorte insluit (bv. gew. doringboom, haak-en-steek, kameeldoring, trassiebos) en (meest. uit Austr.) ingevoerde soorte (wo. mimosa, wattel, ens.); die wd. hou verb. m. Lat. acies, “punt”, acus, “naald”, acutus, “skerp” en Gr. akê, “punt”, wsk. n.a.v. “dorings” wat in mindere of meerdere mate by die meeste voorkom.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

acacia (Latijn acacia)

C.A. Backer (1936), Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen

Acácia Willd. [K. L. Willdenow], - van Gr. akakĭa, een gestekelde boom. - Vele soorten van het gesl. zijn gestekeld of gedoornd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

acacia ‘boomsoort’ -> Indonesisch akasia ‘boomsoort’; Muna akasia ‘boomsoort’; Japans akashia, akashiya ‘boomsoort’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

acacia boomsoort 1554 [Dod.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut