Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

abt - (overste van een abdij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

abt zn. ‘overste van een abdij’
Mnl. abbet [1220-40; CG II, Aiol], den abd van hanon [1254; CG I, 51]. De eind-d is oorspronkelijk; aan het woord-einde werd dit -t, ook in de spelling onder invloed van het Latijn.
Oude en indirecte ontlening aan Latijn abbās (genitief abbātis) < Grieks ábbas, dat teruggaat op een aanspreekvorm in de bijbel, Aramees ábbā ‘vader’. Het gaat daarbij om een kinderwoord dat te vergelijken valt met papa. Zie ook → abdij, → abdis. Via welke talen het Latijnse woord in het Nederlands is gekomen is niet duidelijk. Volgens FvW is het overgenomen uit een Romaanse vorm *abbāde [5e-6e eeuw], vanwege de d-vormen, ook in het Oudengels, en de niet verschoven -t- in het Duits. Het Oudfrans heeft echter als oudste vorm abet [1080; Rey] (Nieuwfrans abbé), waaraan mnl. abbet ook ontleend zou kunnen zijn. De onbeklemtoonde -e- verdween in de Nederlandse vorm al vroeg, zoals bijv. ook bij → ambt < ambet (< ambacht).
Ohd. abbat (nhd. Abt); ofri. abba, abbet (nfri. abt); oe. abbod, abbod, abbud (ne. abbot).

EWN: abt zn. ‘overste van een abdij’ (1220-40)
ANTEDATERING: onl. abbet in het toponiem abeham 'Abtham (locatie in Noord-Frankrijk)', mogelijk letterlijk 'ham (landtong) van de abt' [1141; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

abt [overste van monnikenklooster] {abbet, abt 1220-1240} < laat-latijn abbatem, 4e nv. van abbas [abt] < grieks abbas [vader] < aramees ʼabbā [de of mijn vader] (emfatische vorm van hebreeuws āb [vader]) (vgl. Abba); het frans abbé behield de klemtoon op de 2e lettergreep.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

abt znw. m., mnl. abbet, abt < rom. abbâde, < lat. abbātem. Het woord abbas < gr. ábbas < syr. abbâ ‘vader’.

Het ndl. woord vertoont accentterugtrekking, evenals deken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

abt znw., mnl. abbet, abt (d en t) m. Gaat op rom. *abbâde, lat. abbâtem terug, evenals ohd. abbat (nhd. abt), mnd. abbet, ofri. abbet, ebbete, ags. abbod (eng. abbot), on. (uit het Wgerm.) abbati (en âbôti) m. Voor de accentverplaatsing vgl. deken II. Lat. abbas, -âtis, gr. ábbas gaan op syr. abbâ “vader” terug.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

abt m., Mnl. abbet, gelijk Ohd. abbât (Mhd. abbet, Nhd. abt), Ags. abbod, abbot (Eng. abbot), Ofri. abbet, On. abbati, uit Mlat. abbátem, accus. van abbas, maar met opgeschoven klemtoon (ábbatem). Het Lat. woord komt uit het Gr., en dit uit het Syr. abbā = vader, niet uit het Hebr. waar het āb is (z. Marcus XIV, 36 en Paulus, Rom. VIII, 15). — Abdij, Mnl. abbedie, gelijk Ohd. abbateia (Mhd. abbeteie, Nhd. abtei), Eng. abbey en Fr. abbaye, uit Mlat. abbatiam (-ia), — en abdis, Mnl. abbedisse, gelijk Mhd. abtissin, Eng. abbess, Fr. abbesse, uit Mlat. abbatissam (-a). De d van abdij en abdis is te wijten aan het Rom. , dat de intervoc. t tot d maakte; abt heeft de d als slotklank tot t verscherpt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ab (zn.) overste van monnikenklooster; Vreugmiddelnederlands abbet <1220-1240>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

abt (Latijn abbatem, 4de nv.)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Abt, het hoofd van een mannenklooster, die het recht heeft den kromstaf te voeren; mnl. abbet, abt, mv. abde; uit mlat. abbas, gen. abbatis, met de bet. van vader; dit weder uit het Syrisch abba, nog voorkomend in onze bijbelvertaling: “Gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen: Abba, Vader!”, Rom. 8.15. Van denzelfden stam komen Abdij en Abdis; het eerste, mnl. abedie, abdie, uit mlat. abbatia, beteekent een klooster, waar een abt of abdis aan het hoofd staat; het tweede, mnl. abbedesse, abdisse, uit mlat. abbatissa, is de benaming van het hoofd van een vrouwenklooster, die het recht heeft den kromstaf te voeren. Naast abdij vindt men op gelijke wijze gevormd kanunnikdij, kanonik(s)dij (de vorm met s b.v.: David, Vad. Hist. 10, 91), proos(t)dij.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Abt. In ’t Syrisch (de taal van een deel der oudste Christenen) was abba ’t woord voor vader en verder voor: monnik. ’t Gr. nam dit als abbas over; in ’t kerklatijn was de accusatief abbatem, met den klemtoon op ba, en daarvan maakte onze taal abt (’t Mnl. nog abbet). In de woorden abdij (Lat. abbatia) en abdis ging de t in d over, evenals bijv. dit in proosdij (van proost) geschiedde.

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Abt
Van het Middeleeuwsch Latijnsche abbas (abbatis), in de kerktaal opgenomen uit het Arameesche abbâ, vader, dat bij de Talmudisten een eeretitel is, zooals rabbi. In de Kerk is het waarschijnlijk gekomen uit de Syrische kloosters, waarin het abbò luidde. Over de Germaansche vormen vergelijke men het Woordenboek.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

abt overste van monnikenklooster 1220-1240 [CG II1 Aiol] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

42. Zoo de abt, zoo de monniken,

d.i. zoo heer, zoo knecht; zoo de heer is, zoo is de dienaar. Bij Campen, 87: Sulcken Abt, sulcke Monnicken. Vgl. verder Sewel, 22: Zo den abt is, zo zyn de monnikken, like the abbot is, so are the monks; Halma, 15: Zoo de Abt is, zoo zijn de Monniken. Spreekw. De een is als de ander, tel Abbé, tels Moines; Harreb. I, 9 b. In het hd. zegt men: wie der Abt singt, so antworten die Mönche; fr. le moine répond comme l'abbé chante; eng. like abbot like monk.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut