Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

absoluut - (onbeperkt, volstrekt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

absoluut bn. ‘onbeperkt, volstrekt’
Mnl. in de afleiding absolutelic ‘duidelijk, niet vatbaar voor misverstand’ [1462-85; MNW simperlike]; vnnl. absolutelicken ‘beslist’ [1516; MNHWS], absoluyt “voleynt, volmaect, verlost oft ontslagen” [1553; Werve], absoluyt “absous ou absolu”, (wrsch.) ‘vrijgesproken of voltooid’ [1563; Meurier], een absoluter regeringe ... te bekomen [1612; WNT].
Ontleend aan Latijn absolūtus ‘volledig, volstrekt’, verl.deelw. van absolvere ‘losmaken, bevrijden, laten gaan’, gevormd uit → ab- ‘weg ... van’ en solvere ‘losmaken, oplossen’, zie → solutie.
absolutisme zn. ‘onbeperkte heerschappij’. Nnl. absolutisme [1865; Wdb. EN]; eerder al in de vorm absolutismus [1847; Kramers]. Ontleend aan Frans absolutisme [1796].

EWN: ♦ absolutisme zn. ‘onbeperkte heerschappij’ (1847)
ANTEDATERING: ten voordeele van het "absolutismus" [1824; Nederlandsche staatcourant (KB) 25/6]
Later: een ergerlijk "absolutisme" [1829; Noord-Brabander (KB) 25/6] (EWN: 1865)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

absoluut [volstrekt] {absoluyt 1563} < latijn absolute [(bijw.) volmaakt, volledig, volstrekt, onvoorwaardelijk], bn. absolutus, van absolvere (vgl. absolutie).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

abseluut (bn.) onbeperkt, volstrekt; Nuinederlands absoluyt <1553> < Latien absolutus.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

absoluut b.nw.
1. Onbeperk. 2. Volstrek, nie betreklik nie. 3. Volkome, geheel en al.
Uit Ndl. absoluut (1563 in bet. 1, 1663 in bet. 2, 1872 in bet. 3). Eerste optekening in vroeë Afr. op 3 Maart 1670 in die aanhaling "dan absoluut met die schepen naer't Patria sal mogen vertrecken" (Resolusies van die Politieke Raad, C.6).
Ndl. absoluut uit Latyn absolutus van absolvere 'losmaak, bevry, voltooi', met lg. van ab 'weg' en solvere 'losmaak'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

absoluut ‘onbeperkt, volstrekt’ (Latijn absolutus); ‘ongedeeld’ (Frans absolu)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Absoluut (Lat. absolútus = losgemaakt; absólvere = losmaken; <ab-, + sólvere = losmaken). Op zichzelf beschouwd, zonder betrekking tot iets anders, tot een referentiesysteem; zonder vreemde bijmengsels; b.v. absolute beweging, plaats, tijd; absolute eenheden; absolute alkohol.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Absoluut (< Lat. absolutus, part. perf. van absolvere = losmaken). Math. 1) Volstrekt. Vb. De absolute waarde (ook genoemd modulus) van een complex getal; men ziet hierbij af, maakt zich los, van de richting van den voerstraal naar het beeldpunt en beschouwt hiervan alleen de grootte. 2) Fundamenteel (dat, waarvan iets anders afhangt). Vb. Het absolute van een projectieve maatbepaling (een al of niet ontaarde variëteit van de tweede klasse). 3) Onafhankelijk (niet afhangend van iets anders). Vb. J. Bolyai (1802–1860) noemt de door hem ontwikkelde meetkunde, die onafhankelijk is van het al of niet gelden van het parallelen-postulaat, een absolute meetkunde. In de absolute differentiaalrekening zijn de resultaten van de toepassing der differentiatieregels onafhankelijk van het coördinatenstelsel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

absoluut ‘volstrekt’ -> Indonesisch absolut ‘volstrekt’; Negerhollands absolůt, absolyt ‘stellig’; Sranantongo apsrutu ‘stellig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

absoluut volstrekt 1553 [Vd Werve] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut