Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

absent - (afwezig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

absent bn. ‘afwezig’
Mnl. absent ‘afwezig’ [1404; Claes 1994a].
Ontleend aan Frans absent ‘afwezig’ [12e eeuw], dat teruggaat op Latijn absēns, absentis, teg.deelw. van abesse ‘afwezig zijn’, gevormd uit → ab- ‘af, vanaf’ en esse ‘zijn’, verwant met → zijn 1.
absentie zn. ‘afwezigheid’. Mnl. absentie, absencie [1370-78; MNHWS]. Ontleend aan Latijn absentia. ♦ zich absenteren ww. ‘zich verwijderen’. Mnl. hem absenteren ‘zich verwijderen, wegtrekken’ [1448; MNHWS]. Al dan niet via Frans s'absenter ‘afwezig zijn, weggaan’ [14e eeuw] ontleend aan Laatlatijn absentāre ‘weg zijn, wegblijven’.

EWN: absent bn. ‘afwezig’ (1404)
ANTEDATERING: absent 'afwezig' [1370-78; MNHWS]
EWN:♦ zich absenteren ww. ‘zich verwijderen’ (1448)
ANTEDATERING: hem ... absenteren 'zich ... verwijderen' [1432; MNW-R]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

absent [afwezig] {1404} < frans absent < latijn absens (2e nv. absentis) [afwezig], eig. teg. deelw. van abesse [afwezig zijn], van ab [weg] + esse [zijn] → present2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

absent (bn.) afwezig; Middelnederlands absent <1404> < Frans absent.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

opsent b.nw. (slegs pred.) (geselstaal; verouderend)
Afwesig, weg.
Vervorm uit Ndl. absent (al Mnl.). Trichardt (1836 - 1838) gebruik die vorm opsent, wat Eng. invloed grootliks uitsluit.
Ndl. absent uit Fr. absent.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

opsent: verlore, weg; Ndl. absent (sedert 16e eeu) uit Fr. absent (v. WNT/Supp I 296), “afwesig”, so nog in Afr., maar end 18e eeu absent en by Trig opsent in bet. “weggeraak” (v. Scho TWK/ NR 7, 2, p. 16).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

absent (Frans absent)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

absent ‘afwezig’ -> Indonesisch absèn ‘afwezig; presentielijst tekenen’; Jakartaans-Maleis absèn ‘afwezig’; Menadonees absèn ‘afwezig’; Negerhollands absens ‘afwezig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

absent afwezig 1404 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut