Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

abrikoos - (vrucht (Prunus armeniaca))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

abrikoos zn. ‘vrucht (Prunus armeniaca)’
Vnnl. abricocken, abrecots (mv.) [1563; Meurier], abricock [1588; Kil.], abrikok [1625; WNT], abrikoos [1668; Koerbagh].
De oudste vormen op -kok lijken terug te gaan op Spaans albaricoque. De latere vormen zijn vermoedelijk opnieuw ontleend en wel aan Frans abricot [1512]. De uitgang oos kan ontstaan zijn doordat het Frans in eerste instantie in de meervoudsvorm ontleend is, maar de vorm → framboos zal zeker ook invloed uitgeoefend hebben. Frans abricot is via Spaans en/of Portugees albricoque ontleend aan Arabisch al-barqūq ‘de pruim’ (met het lidwoord al en -b- voor -p-, omdat het Arabisch geen -p- kent) < Grieks prekókkion (met diverse spellingvarianten) < Latijn (Persicum) praecoquum, praecox ‘de vroegrijpe (perzik)’. De abrikoos werd ‘de vroegrijpe’ genoemd, omdat hij eerder rijp was dan de perzik.
Lit.: Philippa 1991; Salverda de Grave 1906; Walter 1991, 56

EWN: abrikoos zn. ‘vrucht (Prunus armeniaca)’; de vorm abrikoos (1668)
ANTEDATERING: Abricoos [1642; Van der Veen, voorw. 21]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

abrikoos [vrucht] {abricock 1563, abrikoos 1668} < frans abricots (mv.) < spaans albicoque < arabisch al barqūqa [pruim, abrikoos] (al [de]); het ar. ontleende aan grieks praikokia [abrikoos] < latijn (malum Persicum) praecoquum, malum Persicum [Perzische appel, vrucht], praecoquum, o. van praecoquus = praecox [vroegrijp], van prae [voor] + coquere [laten rijpen, stoven, koken]; de betekenis is dus ‘vroegrijpe perzik’; de uitgang -oos is misschien beïnvloed door framboos.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

abrikoos znw. m. ‘boom’, v. ‘vrucht’ komt nog niet bij Kiliaen voor. — abricot. — > hd. aprikose, de. aprikos.

De vorm abrikoos schrijft FW aan invloed van framboos toe; daarentegen denkt Kluge-Mitzka 28, dat hij is ontstaan uit fra. mv. abricots; dan zou men dus van de vruchtnaam moeten uitgaan; maar er is weinig aanleiding om aan een mv. vorm als uitgangspunt te denken. — Frans abricot < arab. al-barḳūḳ, al-birḳūḳ < mgr. prekókkion < lat. praecox, praecoqua ‘de vroegrijpe (perzik)’. — In de 16de en 17de eeuw komt in het Ndl. ook de vorm abrikok voor < spa. albaricoque, port. albricoque. Uit het nl. stamt russ. abrikós, zowel boom als vrucht (R. v. d. Meulen Ts. 28, 1909, 206).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

abrikoos znw., nog niet bij Kil. Ontl. uit fr. abricot, evenals eng. apricot. De uitgang zal wel aan den invloed van framboos zijn toe te schrijven (anders Horn PBrB. 23,254, Salverda de Grave, De fra. woorden 321). Uit het Ndl. komt hd. aprikose v., de. aprikos. De l6- en 17-eeuwsche ndl. vorm abrikok is het spa. albaricoque, port. albricoque. De rom. vormen zijn uit arab. al-barqûq, al-birqûq ontstaan, dat via mgri. prékokkion (e.a. vormen) op lat, praecox, praecoqua, letterlijk “de vroegrijpe (perzik)” teruggaat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

abrikoos v., bij Kiliaan abrikok: het eerste (cf. matroos) uit het Fr. meerv. abricots, het tweede uit Port. albricoque. Een dergelijk verschijnsel in ’t Eng., waar thans apricot en vroeger apricock. Het Fr. woord is zelf ook het Port. woord met dentalis, van de slotgutturaal. Het Port.-Sp. woord, waarvan ook It. albercocca, is ontleend aan het Ar. albarqûq, d.i. het lidw. al en ’t Mgr. berikókkion, verbasterd uit een vroeger Gr. praikókkion, enkelv. van praikókkia, overgenomen uit Lat. præcocia, meerv. van praecox = de vroegrijpe (in tegenstelling met de laatrijpe perzik), van præ = voorop en coquere = koken, rijpen (z. koken).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

appelekouw (zn.) abrikoos; < Frans abricot.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

applekeus, appelkoes, appelekouw, apperkouw, abberkouw, zn.: abrikoos. Vgl. Keuls aplekus, Brabants apperkoos, appelkoos. Door wisseling r/l en volksetymologie.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

abrikok, appelkok, zn.: abrikoos; (soms vanwege de gelijkenis) perzik, merkaton. Vnnl. 1563 abricock, Cat. abercoc, albercoc < Sp. albaricoque, albicoque, Port. albricoque < Arabisch al barqûqa ‘pruim, abrikoos’, waarin al het bepaalde lidwoord is. Ontleend aan Gr. praikokia ‘abrikoos’ < Lat. (malum Persicum) praecoquum ‘vroegrijpe Perzische appel, vroegrijpe perzik’.

apperkoos, appelkoos, zn.: abrikoos. Apper- door metathesis, appel- door volksetymologie en wisseling r/l.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

appelekoze zn. v.: abrikoos. Ook Ovl. appelkoos. Volksetymologisch < apperkoze , door r/l-wisseling en associatie met appel.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

appelkoos, -kozing (W), appelekoze (ZV), zn. m.: abrikoos. Volksetymologische vervorming, mede geholpen door r/l-wisseling.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

appelkoos s.nw.
Geurige, suurderige steenvrug, oranjekleurig wanneer ryp.
Uit gewestelike Ndl. appelkoos, en lg. uit Ndl. abrikoos (in die 17de eeu o.a. ook apperkoos, aprikoos). Volgens Mansvelt (1884) is appelkoos die skrifvorm wat die alg. uitspraak weergee; volgens Pannevis (1880) ook appekoos.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

perko (DB), zn. m.: abrikoos. Met metathesis verkort < Fr. abricot < Ar. al-barkûk < Mgr. prekókkion < Lat. praecox ‘vroegrijpe (perzik)’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

abrikoos’ (de, abrikozen), (veroud.) 1. syn. van mammi* (1): z.a. Onder de Boomen die, in die Landstreek, voor de beste gerekend worden, telt men de Mammei-Boom (of Abricoos), onderscheiden in Mannetje en Wyfje (Hartsinck 1770: 45; oudste vindpl.). - 2. vrucht van deze boom. - Etym.: Bij Westeroüen v.M. (1883: 32): Wilde abrikoos. Het vruchtvlees lijkt op dat van AN a., d.i. de vrucht van een boom die in de Oude Wereld gekweekt wordt (Prunus armeniaca, Roosfamilie*). De boom, die voluit ook abrikoosboom* heette, werd dus genoemd naar de vrucht.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

appelkoos: boom en vrug (Prunus armeniaca, fam. Rosaceae); Ndl. abrikoos (in 17e eeu ook abrikok/apper-/aprikoos en later in NNdl. en SNdl. dial. o.a. appelkok/appelkoos), ontln. aan Sp. albaricoque en/of Port albricoque waarvan eerste lid berus op prot. Arab. a(l)- (voor barkuk) en tweede op Lat. s.nw. praecox, b.nw. praecoquis/praecoquus (uit prae-, “vroeg”, + coquere, “ryp word”), met oorg. v. p in Arab. en Gr. tot b en van ae in Sp. en Port. tot i, terwyl Ndl. volkset. in dial. appel- kry en slot -s uit die Fr. mv. abricots. In S.A. nog wilde soorte, bv. spp. Dovyalis, fam. Flacourtiaceae en spp. Landolphia, fam. Apocynaceae.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

abrikoos (Frans abricots, mv.)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Abrikoos, vroeger abrikok (zie Ki1.); in den tegenwoordigen vorm uit het meervoud van het fransche abricot, dat naast den portug. vorm abricocque voorkomt, met verandering van de gutturaal op ’t eind in een dentaal, zooals daar meer voorkomt in vreemde woorden (b.v. haubert, ons halsberg; de stedennamen op bort, het germ, borg, burg). De vele verschillende vormen van dezen vruchtnaam gaan terug op den arabischen naam, die met het arab. lidwoord al is overgenomen uit het lat. praecoquus of praecox gen. praecocis = vroegrijp.

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Abrikoos
Dit woord heeft eene zonderlinge geschiedenis. Het is van Latijnschen oorsprong, want volgens het getuigenis van Dioscorides (I, 165), die in ’t midden der eerste eeuw onzer tijdrekening schreef, gaven de Romeinen aan de vrucht van den Armenischen pruimenboom (d.i. aan de abrikoos), die bij Plinius prunum Armeniacum heet, den naam van praecox, de vroegrijpe. Hoogstwaarschijnlijk was de volledige uitdrukking Persicum praecox, vroegrijpe perzik, daar de abrikozen met de perziken veel overeenkomst hebben. Hetgeen ons in dit vermoeden versterkt, is dat onze voorouders in de zestiende eeuw de abrikozen vroege persen (d. i. perziken) noemden; dit was toen de gewone naam, want Dodonaeus zegt (Cruydt-Boeck, p. 1340 b): “De vruchten selve heeten hier te lande Vroege Persen, oft Avant Persen: in Vranckrijck Abricoz” enz. Aan het Lat. meervoud praecocia ontleenden de Grieken hun πραικόκια, of πραικόκκια, πρεκόκκια, waaruit zich het enkelvoud πραικόκκιον vormde. Dit is overgegaan in het Arabisch; maar daar de Arabieren geen p hebben en twee medeklinkers achter elkander niet kunnen uitspreken, zoo is het bij hen barkok, berkok, of ook wel birkok en borkok geworden. Verkeerdelijk is evenwel door velen, b.v. door Mahn en Engelmann, gezegd, dat die naam uit de Arabische vertaling van Dioscorides tot de Arabieren gekomen is. Op zich zelf toch is het niet waarschijnlijk, dat het volk den naam eener bekende en menigvuldig voorkomende vrucht zou hebben genomen uit de vertaling van een boek, dat te geleerd was om door het volk gelezen te worden. Maar hetgeen alles afdoet, is dat de bedoelde woorden van Dioscorides door zijn Arab. vertaler weggelaten zijn, zooals mij uit de inzage van ons HS. (n°. 289, fol. 47 v°.) gebleken is. Men moet dus zeggen, dat de Arabieren het woord hebben overgenomen van de bewoners der landen, die zij op het Byzantijnsche rijk hadden veroverd. Zij hadden ook den vorm berkokia, want ik vind in den Mosta’înî, een woordenboek der niet samengestelde geneesmiddelen, dat in het begin der twaalfde eeuw te Saragossa geschreven is (HS. 15): “Borkok, de abrikoos (misjmisj), d. i. de Armenische appel; zij wordt ook berkokia genoemd.” Dit is βερικουκία, βερικοκκία, zooals de bedoelde vrucht in het Grieksch der Middeleeuwen genoemd werd. Overigens verdient nog opgemerkt te worden, dat bij de Arabieren de naam barkok van even onbepaalde beteekenis gebleven is als het Latijnsche praecox; het laatste toch wordt ook gebruikt van vroegrijpe pruimen, en zoo beteekent barkok in het Arab. niet alleen abrikoos, maar ook pruim. Volgens Golius is het in Afrika pruim, in Azië abrikoos; mogelijk was het in zijn tijd zoo (17e eeuw); tegenwoordig evenwel schijnt het overal pruim te beduiden, terwijl de abrikoos misjmasj (ook met andere vokalen) heet (zie Dombay, Grammatica ling. Mauro-Arab., p. 71; Humbert, Guide de la conversation arabe, p. 52; de woordenboeken van Bocthor, van Marcel en den Dictionnaire berbère op abricot en op prune). Ook Het Latijnsche praecox, dat barkok geworden was, is met het Arab. lidwoord, al-barkok, in het Spaansch en Portug. overgegaan, Sp. albarcoque of alvarcoque, albercoque, Port. albricoque, albercoque, alboquorque.
Uit het Iberische schiereiland verspreidde zich de naam verder door Europa: Ital. albercocca, albicocca; Prov. aubricot, ambricot, abricot enz. Bij ons is het woord, dat onze voorouders abricock schreven, rechtstreeks uit Spanje en Portugal gekomen, want dat vóór den Spaanschen tijd zoowel de naam der vrucht als de vrucht zelve hier onbekend waren, blijkt uit eene plaats van Ambrosius Zeebout, die in 1481 met van Ghistele, bij wien hij kapelaan was, het Oosten bezocht. Over de vruchten, die in de tuinen van Caïro groeien, sprekende, zegt hij (Tvoyage van Mher Joos van Ghistele, Ghendt, 1572, p. 173): “Daer wassen oock manieren van cleen Perselkins, gheluwe als den doyr van eenen eye, seer smakelijc, daer ghenaemt Misseme [’t Arab. misjmesj] oft Hermelinen.” Men kan hieruit opmaken, dat er, in dien tijd, hier te lande nog geen abrikozen waren.
Zelfs in de 17e eeuw was abricock hier nog de gewone vorm; zie het Woordenboek, waar ook verklaard wordt, hoe wij aan onzen tegenwoordigen vorm gekomen zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

abrikoos ‘vrucht’ -> Fries abrikoas ‘vrucht’; Duits Aprikose ‘geelachtige, pruimgrote, vlezige steenvrucht van de abrikozenboom; abrikozenboom; abrikozenkleur’; Deens abrikos ‘vrucht’; Noors aprikos ‘(vrucht van) boom uit de steenvruchtenfamilie’ (uit Nederlands of Duits); Zweeds aprikos ‘vrucht’; Russisch abrikós ‘vrucht’; Oekraïens abrikós ‘vrucht’ ; Lets aprikoze ‘vrucht’ ; Litouws abrikosas ‘vrucht’; Indonesisch abrikos ‘vrucht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

abrikoos vrucht 1625 [WNT Suppl] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut