Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

abortus - (miskraam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

abortus zn. ‘miskraam’
Nnl. abortus ‘miskraam’ [1824; Weiland], eerder (vanaf 1663) alleen als kunstwoord bij Meijer. Daarnaast bij Meijer wel de gelijkbetekenende zn. abortif [vanaf 1654] en abortie [vanaf 1669].
Ontleend aan Latijn abortus ‘misgeboorte’, verl.deelw. van aborīrī ‘vergaan, verdwijnen, een miskraam hebben’, gevormd uit → ab- ‘van ... af’ en orīrī ‘ontstaan, geboren worden’ (waaruit ook → oriënteren).
Oorspr. een woord uit de medische vaktaal voor het synonieme miskraam uit de omgangstaal. Ter onderscheid van de spontane abortus kent men de abortus provocatus ‘opgewekte abortus’, in geval van niet-medische redenen vroeger ook wel abortus criminalis genoemd. In de omgangstaal wordt met abortus tegenwoordig [1933; WNT Aanv.] meestal alleen ‘opgewekte abortus’ bedoeld.
aborteren ww. ‘een miskraam hebben of opwekken’. Vnnl. abortiëren ‘een miskraam hebben’ [1650; Hofman], aborteren ‘id.’ [1824; Weiland], ‘een miskraam opwekken’ [1974; Kramers III]. Ontleend aan Latijn abortare, afleiding van aborīri.

EWN: abortus zn. ‘miskraam’ (1824)
ANTEDATERING: Het voorkomen der menigvuldige "Abortus" [1778; Verh.HMW 18, 764]
EWN: ♦ aborteren ww. ‘een miskraam hebben of opwekken’; de vorm aborteren (1824)
ANTEDATERING: aborteren 'een miskraam hebben' in: de vrouwen, die buiten hare schuld aborteren [1730; Seckendorf, 154]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

abortus [ontijdige geboorte, miskraam] {1856} < latijn abortus, van aboriri (verl. deelw. abortum) [een miskraam hebben], van ab [weg van] + oriri [ontstaan, geboren worden] (vgl. oriënteren).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

abortus

Van een Latijns werkwoord oriri: opkomen, zichtbaar worden, ontstaan, geboren worden, is het zelfstandige naamwoord ortus afgeleid in de betekenis: de opkomst (van de zon), het ontstaan, de geboorte. Het tegengestelde van ortus is abortus, dus: de verdwijning, het vergaan en in het bijzonder: de ontijdige bevalling, de miskraam. Wanneer men thans spreekt en schrijft over abortus bedoelt men wat in het Latijn volledig heet: abortus lege artis provocatus: de abortus die volgens het voorschrift van de wetenschap (letterlijk volgens de wet van de kunst) wordt tevoorschijn geroepen, eigenlijk: uitgedaagd. Dit is dus de abortus die, uitgevoerd door een arts, de zwangerschap afbreekt. Men zegt vaak: onderbreekt in plaats van afbreekt, maar dat is fout, want onderbreken is: tijdelijk doen ophouden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

abortus ‘ontijdige geboorte, miskraam’ -> Menadonees abortus ‘ontijdige geboorte, miskraam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

abortus ontijdige geboorte, miskraam 1663 [MEY] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut