Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

abeel - (populiersoort (Populus alba))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

abeel zn. ‘populiersoort (Populus alba)’
Mnl. den abeelen (datief mv.) ‘id.’ [1285; CG I, 1035]. Eerder al in de toenaam de abele, genoemd naar de plaatsnaam Ten Abele [1240; CG I, 16].
Ontleend aan Oudfrans aubel, albel, abel ‘abeel’ < Latijn albellus, een afleiding van het bn. albulus ‘witachtig’ bij albus ‘wit’ (zie ook → albino, → album). De boom is dus naar de kleur van de bladeren genoemd.
Mnd. abele ‘populier’; nfri. abeelje(beam) ‘abeel’; ne. abele ‘populier’.
Latijn albus ‘wit’ behoort bij de wortel pie. *h2elbh- en is verwant met Grieks alphós ‘witte uitslag’, met de visnaam → elft en met vele Indo-Europese toponiemen, vooral riviernamen zoals de Elbe. Algemeen wordt aangenomen dat deze woorden uit een voor-Indo-Europese substraattaal afkomstig zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

abeel [populier] {abele 1240} < oudfrans albel, aubel < latijn albulus [witachtig], verkleiningsvorm van albus [wit]; zo genoemd naar de witte onderkant van de bladeren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

abeel mnl. abeel, aubeel m. — mnd. abele ‘populier, abeel’, oe. abele albel, aubel < lat. albellus, afgeleid van albulus, eigenlijk de witte boom, vgl. albus ‘wit’.

De vorm abeel kan ontstaan zijn uit aubeel in voortonige lettergreep of door dissimilatie uit albeel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

abeel znw., mnl. abeel, ook aubeel m. Evenals mnd. abêle “populier, abeel” (waaruit nhd. abele v.), eng. abele “abeel” uit ofr. aubel, albel, dat teruggaat op lat. albellus, een afl. van albulus en dit van albus “wit”. De a van de germ. vormen is vóór den toon uit au- ontstaan of van albel is de eerste l door dissimilatie verdwenen. Ohd. albari m. “populier” (nhd. alber v.) is uit rom., it. albero (uit albulus) ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

abeel. In plaats van mnd. abêle lees: abēle. Misschien is dit woord via het Mnl. uit het Ofr. overgenomen. (v.d.Meer Hist. Gr. I, 148).
Ohd. albâri (zo wsch. te lezen i.pl.v. albari) is ontleend aan later-lat. albarus. Tot deze grondvorm is ook it. albero te herleiden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

abeel 1 m. (boom), Mnl. abeel, gelijk Ohd. albâri (Mhd. en Nhd. alber), Eng. abele, uit het Rom: Ofra. albel, Nfra. aubrelle, It. albaro, waarin wellicht Lat. arbor = boom en albus = wit dooreenspelen.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Abeel (Witte, Grauwe), Populus alba (witte), Populus x canescens (grauwe)
Populus: Latijnse naam voor de populier. Het Latijnse ´populus´ stond als mannelijk woord voor ´volk´ zoals in ´populair´ terwijl het als vrouwelijk woord de naam van de boom of de ´populier´ aangaf.
Alba: plant of een onderdeel van de plant is witachtig van kleur.
Canescens: een deel van de plant ziet er wit of grijsachtig uit.
Abeel (Witte, Grauwe): het wit in de Nederlandse naam slaat op het feit dat de onderzijde van de bladeren witviltig, bedekt zijn met witte haren. Het grauw in de Nederlandse naam slaat op het feit dat de onderzijde van de bladeren grauwachtig behaard kunnen zijn. Het woord abeel stamt ook weer af van het Latijnse woord alba dat wit betekent.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

abeel ‘populier’ -> Engels abele ‘zilverpopulier’; Duits dialect Abeele, Abeel ‘zilverpopulier’; Deens abel ‘populier’; Amerikaans-Engels abele (tree) ‘zilverpopulier’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

abeel populier 1240 [CG I Gent] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut