Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aat - (wilde haver (Avena fatua of Avena sterilis))

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

aat zn. ‘voedsel’
Oudnederlands āt ‘eten’ (901–1000), Middelnederlands āt (1236), aet m. (1265–1270) ‘voedsel’, Vroegnieuwned. aet ‘voedsel, kost’ (1563). Af en toe ook vrouwelijk ate. Een oude samenstelling is Mnl. overāt ‘vraatzucht’ (1240), een oude afleiding Oudnederlands ātōn (901–1000), Mnl. āten ‘voeden’.
In dialecten West- en Zeeuws-Vlaams aat(e), aot(e), oot(e), Zeeuws ook èèt, ‘voedsel, veevoer; wilde haver, avena fatua’. Het EWN neemt onder aat voor de betekenis ‘wilde haver’ een apart woord WGm. *ait- aan. Maar de betekenis ‘wilde haver’ kan heel goed uit ‘wat het vee eet’ verklaard worden, en de klinker van aat is in Vlaanderen niet te onderscheiden van de normale reflex van lange aa.
Verwante vormen: Oudsaksisch āt, Oudfries ēt, Oudengels ǣt, Oudhoogduits āz ‘voedsel’, Oudijslands át naast áta ‘voedsel’, uit PGm. *ēta- onz. ‘het eten’, een afleiding bij eten. Zie verder, onder andere voor de verklaring van de lange klinker, het nauw verwante aas. Een ander woord waarin *āte verpakt zit is Ned. ort ‘voedingsrest, kliekje’, ook oort (in Hij heeft zijn laatste oortje versnoept), Vroegnieuwned. oraete, orete, uit WGm. *uz-āt-(an-) ‘uit-voedsel’, verwant met Gotisch uz-eta ‘kribbe’, ‘waar je uit kunt eten’.
De samenstelling overāt is uit het Westgermaans geërfd getuige de overeenkomst met Ohd. ubarāz, Oudsaksisch ovarāt, Oudengels oferǽt ‘vraatzucht’. In het Middelnederlands vormen overaat en overdrank een vaste verbinging: Overaet ende overdranc maect den lichame ziec ende cranc (Boendale, Der Leken Spiegel).
[Gepubliceerd op 12-11-2015 op Neerlandistiek.nl]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aat zn. ‘wilde haver (Avena fatua of Avena sterilis)’
Nnl. oot ‘wilde haver’ [1799; Bremmer], ate [1865; WNT].
De enige verwant is oe. āte ‘id.’ (me. otes; ne. oats). Weijnen ziet mogelijke verwantschap met nijsl. eitill ‘klier, knoest’ [17e eeuw]; nno. eitel ‘knoop, klier’. Dat zou kunnen wijzen op pgm. *ait- ‘korrel’. De Nederlandse vormen met -o- en -a- zijn dan echter vreemd, daar men eerder -ē- of -ei- (< -ai-) zou verwachten. Mogelijk gaat het hierbij niet om een leenwoord uit het Engels, zoals NEW suggereert, maar om een kustwoord met een speciale ontwikkeling van -ā- naar ō zoals ook in → moot.
Pgm. *ait- hoort dan bij de wortel pie. *h3eid- ‘zwellen’, als in Grieks oédos ‘gezwel’; Oudkerkslavisch jadra (mv.) ‘boezem’; Armeens ayt ‘wang’ en aytnum ‘zwellen’. Het is ook mogelijk dat het een substraatwoord is.
Lit.: A. Weijnen (1975) ‘Oude Engels-Nederlandse parallellen’ in: Weijnen 1975, 173-187, hier 178; R. Bremmer (1993) ‘Dutch and/or Frisian: North Sea Germanic aspects in Dutch etymological dictionaries in past and future’ in: Bremmer e.a. 1993, 17-36, hier 25-26; C. van Bree (1997) Een oud onderwerp opnieuw bekeken: Ingweoons, Leiden, 31-32

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aat, oot [een soort wilde haver] {ate, aat, oot 1854} mogelijk < engels oat; klankwettig zou het woord verwant kunnen zijn met etter en zou de grondbetekenis ‘zwelling’ kunnen zijn, hetgeen kan slaan op de korrels, maar semantisch lijkt deze verklaring dubieus.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aat znw. m. naast āte v., (zuidnederl.) ‘eten, spijs’, mnl. aet m., âte v., onfrank. os. mnd. āt o., ofri. ēt, oe. æt m., ohd. āz (nhd. aas), een verbaal-nomen bij eten. — osl. ob-ědŭ ‘maaltijd’, lit. iš-édos mv. ‘overblijfsels van het eten’ (IEW 288). — Zie ook aas 1.

oot znw. v. ‘wilde haver; avena fatua’, gewestel. in Zeeland en Zuidholl. eilanden, vgl. oote in Zeeuws-Vlaanderen en oat in Groningen en in Vlaanderen de vormen āte en ōte; oe. āte (ne. oat) ‘haver’. De eng. vormen voeren tot een grondvorm germ. aita en zijn dan te verbinden met nijsl. eitill, nnoorw. eitel, itle ‘klier’, mhd. eizel ‘etterend gezwel’ en zie verder: etter. Dan zou men de naam moeten verklaren uit de gezwollen vormen van de korrels.

Dit is weinig bevredigend. De nl. vormen laten zich moeilijk hiermee verenigen; zijn deze, die vooral west-nnl. zijn, van het eng. overgenomen?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aat v. (vloghaver), ook oot, Friesche vorm voor *eete, *eite + Ags. âta (Eng. oats), wellicht bij den wortel van etter.

oot v., uit Fri. áte + Ags. áta (Eng. meerv. oats): Ug. *ait-, wellicht bij den wortel van etter.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut