Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aasgier - (roofvogel die dode dieren eet)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

aasgier zn. 'roofvogel die dode dieren eet (Neophron percnopterus)'. Nnl. aasgier 'aasetende vogel' [1804; Bijdragen] in 'Wanneer Jezus derhalve zegt: waar een aas is, vergaderen zich de Arenden, bedoelt hy daarmede eigenlyk zekere aard- of aasgieren, die, in Palestina, in meenigte zyn.'

Lit.: Bijdragen betrekkelijk den staat en de verbetering van het schoolwezen in het Bataafsch Gemeenbest, Vierde deel, blz. 19.

In de genoemde woordenboeken hieronder wordt alleen ingegaan op de figuurlijke betekenis.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Aasgier Neophron percnopterus (Linnaeus: Vultur Perenopterus) 1758. Eén keer in Nederland (mei 2001, Hans van Oosterhout) en 1x in België gesignaleerde soort van Gier, die normaal voorkomt in o.a. Zuid-Europa. Leeft, gelijk de andere Gieren ↑, van aas. Schlegel 1828 (p.175) spreekt van “de witte aasvogel”. Aasvoël is de officiële zuidafrikaanse naam voor ‘Gier’ gebleven; zuidafrikaans Egiptiese Aasvoël is ‘Aasgier’.
De namen Aasgieren (Neophron) en Gewone aasgier (Neophron percnopterus) komen we tegen in Schlegel 1858 (p.57) in de bespreking der europese (maar niet in N waargenomen) “Gierachtige Roofvogels” (p.3). Bij Calkoen 1903 de naam van het lemma voor de soort. Houttuyn 1762 (p.115) noemt Linnaeus’ 6e Gier, “Vultur Perenopterus”, Arendgier, een (ad hoc?) vertaling van de Gr naam Gypaëtós, die ook de D vertaling “Geijr Adler” kende [Jonston 1660 Tab.4]. Houttuyn verwijst echter naar de uitgebreide beschrijving van de Zweed Hasselquist (1751) en noemt dan een andere naam: “De Heer HASSELQUIST, door wien deze Roofvogel, in Egypte, zeer naauwkeurig is waargenomen, geeft, onder den naam van Egyptische Bergvalk, daar van een omstandige beschryving.” Mogelijk ligt hier de basis van E Egyptian Vulture, F Percnoptère d’Egypte en bulgaars Egipetski lesjojad. De soort was ten tijde van Hasselquist nog niet zeldzaam in Egypte, getuige: “Zy leeven in gemeenzaamheid met de Honden, die te Kairo zeer menigvuldig zyn, en buiten de Stad in ’t wilde loopen, geen andere Spyze hebbende dan de weggeworpene Ingewanden en Afval van geslagte Dieren, benevens allerley Drek en Krengen, die derwaards gevoerd worden en ’er ontzaglyk groote vuilnishoopen maaken, waar in zelfs deze Dieren nestelen, zo wel de Honden als de Gieren. Op ’t groote Plein, ’t welk voor het Slot van Kairo is gelegen en tot een Geregtsplaats dient, komen zy beiden, ’s morgens en ’s avonds, te samen. Hier wordt hun, volgens den Stelregel der Mahomethaanen, welker barmhartigheid zig ook tot de Dieren uitstrekt, dagelyks, op de gemelde tyden, zekere veelheid versch Vleesch uitgedeeld, en zulks volgens de uiterste wille van Luiden van Vermogen, die daar toe zekere Fondsen hebben geschikt.” [Houttuyn p.118, vertaald naar Hasselquist]. In Jonston 1660 staan op Tab.4 weliswaar de namen Percnopterus en Geijr Adler, maar bij een afbeelding, die de Aasgier niet in het minst kan voorstellen. Zeer herkenbaar als Aasgier daarentegen is een figuur op Tab.5, waarbij vermeld “Perenopterus Aquila peregrinus”. Hieruit blijkt, dat de vierde letter van Percnopterus (Gr perknós ‘donkerkleurig, (blauw)zwart’ en Gr pterós ‘gevleugeld’) dikwijls, ook bij Linnaeus, gespeld werd als e.
In Thieme’s Vogelatlas 1980 wordt tussen haakjes de naam Witte Krenggier gegeven. Deze naam vermeldt ook Grzimek 1973 (p.455).
D Aasgeier naast Schmutzgeier; zweeds Smutsgam. In deze twee laatste namen staan Schmutz en smuts voor ‘vuil, vieze drab’, verwant met N adjectief smeuig *(s)meu- ‘vochtig, mottig, modderig, smerig’ (vgl. ook Smerlingh en Smelleken en vgl. de etymologie van mooi sub Akke).
ETYMOLOGIE N aas (betekenissen: 1. voedsel der dieren; prooi. 2. lokspijs (bijv. voor het vangen van vis). 3. kreng, rottend dier) Aas ās angulās (vgl. betekenis 2); D Aas ās; oudengels aes.
Lat esca o.a. ‘aas’ en ww. edo, Gr édō ‘eten’; idg *ed ‘eten’. Zie voor eten en vreten sub Bijeneter.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

aasgier: uitbuiter, iemand die voordeel probeert te halen uit andermans ongeluk, hebzuchtige.

Een ieder likte en flikflooide hem, leegloopers en aasgieren, uit zelfzucht en berekening. (Israël Querido, Het volk Gods, 1932)
Die goeie, degelijke, trouwe Els, dat oprechte, lieve burgermeisje, dat nooit een vlieg had kwaad gedaan, was zonder ook maar een kans op verweer veranderd in een aasgier, een vampier, een bleke axolotl. (Jan de Hartog, Gods Geuzen, 1947-1949)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut