Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aarzelen - (weifelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aarzelen ww. ‘weifelen’
Mnl. erselen, arselen ‘achteruitgaan’ [14e eeuw; MNW] naast ouder eersen ‘achteruitgaan, terugkrabbelen’ [begin 15e eeuw; MNW], en bijv. ook in de samenstelling mnl. aerselmaent ‘oktober (= de maand waarin de dagen korter worden)’; vnnl. Aerselen, erselen ‘terugtrekken’ [1599; Kil.], eerselen ‘weifelen’ [ca. 1600; WNT].
Mnl. eersen ‘achteruitgaan’, dat nog in de 17e eeuw voorkomt, is naar het voorbeeld van Frans reculer ‘achteruitgaan’ (bij cul ‘achterste’) afgeleid van mnl. ers, aers ‘aars’, zie → aars. De vorm erselen, arselen is een frequentatief bij dit werkwoord.

EWN: aarzelen ww. 'weifelen' (14e eeuw)
ANTEDATERING: Hi arselde 'hij ging achteruit' [1300-50; MNW-R]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aarzelen* [wijken, weifelen] {aerselen [achteruitgaan, terugwijken] 1327; de figuurlijke betekenis 1562} afgeleid van middelnederlands aers [aars], vgl. frans reculer [achteruitgaan, terugwijken], van cul [achterste].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

aarzelen

Evenals in de mensenwereld is er in de wereld der woorden stijging en daling. Sommige woorden klimmen in aanzien; andere, die van deftige geboorte waren, raken aan lager wal. Aarzelen is een voorbeeld van het eerste. Vroeger betekende het: achteruitgaan en het hangt dan ook samen met aars: achterste. Allerlei werkwoorden op‑elen en‑eren, zoals huppelen, kibbelen, stotteren, enz. betekenen: herhaaldelijk iets doen. Dus is aarzelen: herhaaldelijk met het achterste draaiend achteruitgaan. En drukt dit niet op onnavolgbare wijze de onzekerheid uit, het niet weten ‘zal ik weggaan of blijven’? Op het ogenblik is de gedachte aan het woord aars totaal verloren gegaan en in de deftigste gezelschappen kunt u zeggen dat u aarzelt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aarzelen ww. mnl. e(e)rselen, a(e)rselen, naast eersen ‘terugwijken’, dus afgeleid van aars, evenals fra. reculer van cul. Uit de betekenis ‘terugwijken’ ontwikkelde zich de tegenwoordige. — Vgl. ook oostfri. ärs(s)eln ‘aarzelen’ naast beiers sich arsen ‘terugwijken’. — > ne. dial. arsle (vgl. Bense 4).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aarzelen ww., mnl. e(e)rselen a(e)rselen “terugwijken” naast eersen “id.”. Deze oudere bet. komt bij Bilderdijk nog voor. Een afl. van aars evenals fr. reculer van cul. Vgl. bei. sich arsen “terugwijken”, oostfri. ǟrs(s)eln “aarzelen”. Met het nu niet meer gebruikelijke ndl. bijwoord aarzelings “achteruit” vgl. fri. earsling bnw. “verkeerd”, hd. ärschlings “achteruit”, mhd. erslingen “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aarzelen ono.w., Mnl. erselen, met het suff. der freq., van aars, dus = achteruitwijken; verg. Fr. reculer van cul.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

aarsel ww.
Onseker of besluiteloos wees, twyfel, of weifel om iets te doen.
Uit Ndl. aarzelen 'twyfel, skroom, weifel' (Mnl. erselen, eerselen, arselen, aerselen in die lett. bet. 'agteruitgaan, terugtree, terugkeer'). Aanvanklik (1327) verwys die woord na die agterstewe (sien aars) van 'n steeks trekdier wat terugbeur. Sedert 1562 word dit ook in die fig. bet. 'terugdeins, skroom, weifel' gebruik.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aarzelen (vert. van Frans reculer)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aarzelen ‘weifelen’ -> Amerikaans-Engels dialect assing around ‘rondlummelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aarzelen* weifelen 1600 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut