Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aarts- - (voorvoegsel dat een hoogste graag aangeeft in combinatie met persoonsaanduidingen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aarts- voorv. dat een hoogste graag aangeeft in combinatie met persoonsaanduidingen
Mnl. archebisscop [1250-75; CG I, 2864], aertschebisscoppen ‘aartsbisschoppen’ [1292; CG I, 1722], ook varianten met e- zijn frequent: mnl. artscebiscope, ertscebiscop [1300-50; MNW-R]. Reeds onl. in ercetere ‘dokter’ [10e eeuw; W.Ps.], zie → arts.
Als zelfstandig Nederlands voorvoegsel ontstaan onder invloed van Latijnse kerkelijke persoonsnamen, waarin archi- dezelfde betekenis ‘opper-’ heeft. Het Latijn heeft dit voorvoegsel overgenomen uit Grieks arkhi-, dat dezelfde functie heeft en is terug te voeren op Grieks arkhós ‘aanvoerder’ en het zn. árkhein ‘de eerste zijn’ (hierbij horen ook → architect, → archaïsch, en -archie in bijv.anarchie, → hiërarchie). De uitspraak /ts/ in het Nederlands wijst op Franse invloed (met name het Picardisch). De lange a in de huidige vorm moet te wijten zijn aan volksetymologische invloed van het bn. aards, zoals ook in de vindplaats uit 1292, waarin bovendien het eerste lid als een bn. is verbogen.
Ohd. erzi- (nhd. erz-); ofri. erze-, arse- (nfri. aarts- ‘de hoogste’); oe. ærce-, arce- (ne. arch- ‘id.’); on. erki; got. in slechts één woord ark-aggilus ‘aartsengel’.
Ook in het Nederlands werd het voorvoegsel aanvankelijk alleen voor kerkelijke en bijbelse aanduidingen gebruikt, meestal leenvertalingen, bijv. (in moderne spelling) aartspriester, aartsengel, aartsketter. Inheemse vormingen werden vooral in het Vroegnieuwnederlands gemaakt, met name door Vondel: aartspoëet, aartsmonarch. Slechts enkele zijn nu nog gebruikelijk, hoewel nog steeds bijna uitsluitend in de schrijftaal: bijv. aartsvijand, aartsdomoor.
In het BN zijn onder invloed van de Franse spreektaal enkele bn. met archi- in gebruik. Verreweg de frequentste is archi-slecht ‘zeer slecht’.
Lit.: Mesotten 1996, 218-219

EWN: aarts- voorv. dat een hoogste graad aangeeft in combinatie met persoonsaanduidingen (1250-75)
ANTEDATERING: ertsbiscop 'aartsbisschop', ertsprister 'aartspriester' [beide 1240; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aarts- [voorvoegsel met de betekenis ‘eerste, hoogste’] {in bv. (a)ertsbiscop [aartsbisschop] 1201-1250} < middeleeuws latijn arci- < grieks archi-, van archein [het hoofd zijn, de eerste zijn, commanderen, heersen over, leiden].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

aartsbisdom

Dit woord heeft een voorvoegsel en een achtervoegsel waartussen het hoofdwoord bis enigszins in de knel is geraakt. Bis is namelijk een samentrekking, een verkorting van bisschop. Het voorvoegsel aarts- is van Griekse oorsprong en luidde in die taal archi: eerste, voornaamste. Het was aenvankelijk vooral in kerktaal gebruikelijk: aartsengel, aartsvader, aartsbisschop. Later, misschien via aartsketter, bezigde men het ook voor persoonsnamen om aan te duiden dat iemand een slechte hoedanigheid in de hoogste mate bezit. Zo ontstonden aartsdeugniet, aartsboosdoener en vele andere. De oudste betekenis van‑dom, dat verwant is met het werkwoord doen, is: toestand, staat. Zo zijn adeldom, maagdom en ouderdom gevormd. Ook vormt het woorden die een gebied aanduiden. Daartoe behoren behalve bisdom ook hertogdom en vorstendom.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aarts- in samenstellingen als aartsengel, aartsbisschop, later ook in woorden als aartsdief, aartsschurk, mnl. erts-, aerts-, mnd. erse, mhd. erze-, ofri. erze-, arse, oe. ærce-, erce- < mlat. rom. arci- < gr.-lat. archi- ‘eerste, voornaamste’. De vorm met ts stamt uit het romaans (zoals ook in kruis).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aarts-, in samenstellingen als aartsbisschop, aartsengel, later ook aartsbedrieger enz. In het Mnl. erts-, a(e)rts- e.a. vormen, grootendeels (volksetymologisch, naar aarde, aards) met d en sce gespeld. Evenals ohd. erzi- (alleen erzibiscof), mhd. erz(e)- (nhd. erz-), mnd. erse-, ofri. erze-, arse-, ags. ærce-, erce- (waaruit on. erki-; ags. arce- kan een jongere latiniseering zijn, zooals wij die ook in andere talen vinden; eng. arch-) uit mlat. of rom. arci- en dit uit gr.-lat. archi- “eerste, voornaamste”, vooral in kerktaal gebruikelijk. Voor de palataliseering van c vgl. kruis. Het Got. heeft arkaggilus m., ”aartsengel”. Vgl. arts.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aarts- praefix, Mnl. erts, uit Mhd. erz (Ohd. erzi, Nhd. erz), dat met Ags. ærce, arce (Eng. arch), Ofri, erze, Go. ark, uit Lat. en Gr. archi, van árkhein = de opperste zijn, heerschen. De Ags. en Go. vormen berusten op een uitspraak der ch van archi als gutturaal, de ander op een uitspraak waarin die ch reeds geassibileerd was.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Aartsengel, voorname engel, engel met belangrijke functies als boodschapper van God; (fig.) iemand die met een aartsengel te vergelijken is, bijzonder mooie of lieve, engelachtige persoon.

Aartsengel is de titel voor de hoogste rang van engelen; het is een vertaling van Middeleeuws-Latijn archangelus. Hoewel aartsengel (ertsengel) al voorkwam in het Middelnederlands, onder andere bij Ruusbroec, handhaafde de Statenvertaling (1637) het vreemde woord archangel; in de jongere vertalingen vinden we weer de vernederlandste vorm. Aartsengelen waren de boodschappers van God; traditioneel waren dat Gabriël, Michaël en Rafaël. Ook de engelen die met hun flikkerende zwaarden de ingang van het paradijs bewaakten werden zo betiteld, hoewel de bijbelvertalingen zelf daar andere aanduidingen gebruiken (NBG: cherubs). De citaten verwijzen daarnaar. Daarnaast is aarts- blijkens het jongste citaat ook als versterkend element opgevat en kon men er een zeer engelachtig persoon mee aanduiden.

Luthervertaling Visscher (1648-1896), 1 Tessalonicenzen 4:16. Want hij, de Heer zelf, zal met een veldgeroep, en met een stem des aartsengels en met de bazuin Gods, afkomen van den hemel.
Op het ijs heeft hij complete macht over wat hij doet, hij struikelt noch strompelt, hij rijdt als een engel, een aartsengel, regelmatig, sierlijk, onvermoeibaar, de vonken slaan uit zijn ijzers. (R. Dorrestein, Ontaarde moeders, 1992, p. 185)
Als Nora zich bij andere gelegenheden een vogeltje voelde dat een neushoorn van ongerechtigheden ontdeed, werd ze achter Mona's rug een cherubijn die de vleugels van een aartsengel van de aanslag van de tijd bevrijdde, het vuil oplossend in de schuimvlokken van de groene zeep. Rustig omdat ze haar tijd gehad had, liet de aartsengel haar kleed zakken. (J.F. Vogelaar, De dood als meisje van acht, 1991, p. 82)

Aartsvader, stamvader; (fig.) eerbiedwaardige grijsaard, vooral als pater familias; (fig.) grondlegger (van een beweging, een staat e.d.).
Aartsvaderlijk, van personen: als een aartsvader; wijs, beschermend; kinderrijk; van zaken: traditioneel, passend in hiërarchische verhoudingen.

Aartsvader is een erenaam voor personen uit het Oude Testament die stamvader van talrijke geslachten werden. Vooral bekend zijn de aartsvaders Abraham, Isaak en Jakob en de twaalf zonen van Jakob. Pas in latere bijbelvertalingen vinden we dit woord; de Statenvertaling (1637) heeft nog het Latijnse patriarch. Het woord aartsvader is een vertaling van Latijns archipater, een wisselvorm van patriarch (zie ook dat artikel).

Luthervertaling Visscher (1648-1896), Hebreeën 7:4. Merkt nu op, hoe groot diegene is, wien zelfs Abraham, de aartsvader, de tienden gaf van den veroverden buit.
Domela Nieuwenhuis, de aartsvader van het Nederlandse socialisme. (De Standaard, okt. 1995)
En zo werd hij [Conscience] een groot schrijver, dik en met een aartsvaderlijke baard. (Trouw, 24-11-1983)
Deze richtende afzijdigheid gaf hem [Abel Herzberg] het onmiskenbaar aartsvaderlijke, dat in de jaren zestig Renate Rubinstein [...] begon te irriteren. (Vrij Nederland, 6-12-1997.)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aarts- (Latijn arci-, archi-)
aartsbisschop (Latijn archiepiscopus)
aartsengel (Latijn archangelus)
aartsvader (Latijn patriarcha)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Aarts- (voorvoegsel: aartsengel, enz.) komt van ’t Gr. archi (van archein = de eerste, de voornaamste zijn); het Lat. nam dit als arci (spr. artsi) over en vandaar ons aarts. Het diende vooral tot vorming van kerkelijke woorden: aartspriester, aartsdiaken, aartsbisschop, aartsengel, aartsvader, enz. Later kreeg het vóór wereldsche namen de bet. van eerste, groote in ongunstigen zin: aartsdomoor, aartsluiaard, enz. (Vermoedelijk werd meer spottenderwijze dit „deftige” voorvoegsel bij zulke ongunstige begrippen geplaatst.)

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aartsbisschop metropoliet 1240 [Bern.] <Latijn

aartsdom zeer dom 1866 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut