Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aarde - (wereldbol; grond)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aarde zn. ‘wereldbol; grond’
Onl. ertha ‘aarde’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. in ertwinne ‘landbouw’ [1240; Bern.] en aertland ‘bouwland’ [1224-27].
Os. ertha; ohd. erda (nhd. Erde); ofri. erthe, irthe (nfri. ierde); oe. eorðe (ne. earth); on. jörð (nzw. jord); got. airþō; < pgm. *erþ- ‘aarde’.
Wrsch. is dit een dentaalafleiding bij een woord dat in het ohd. als ero ‘aarde’ is overgeleverd. Het zou evenals on. jörfi ‘zandheuvel’ bij een wortel pie. *er- < *h1er behoren. Verwant zijn dan Grieks éraze ‘op de grond’, érā- ‘aarde’ en misschien ook Armeens erkir ‘aarde, land’ (met een andere verlenging van de wortel). Het probleem is echter dat ohd. ero maar één keer voorkomt, in het zogenaamde Wessobrunner Gebet [begin 9e eeuw]. Een andere vindplaats is eventueel de samenstelling onl. er-ende ‘einde der aarde’ [10e eeuw; W.Ps.], als hier tenminste geen sprake is van een kopieerfout. Wellicht moet gedacht worden aan een substraatwoord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aarde* [grond, onze planeet] {oudnederlands ertha 901-1000, middelnederlands aert, eerde [grond, land]; de betekenis ‘onze planeet’ 1624} oudsaksisch ertha, oudhoogduits erda, oudfries erthe, oudengels eorðe, oudnoors jǫrð, gotisch airþa; buiten het germ. grieks erā [aarde], welsh erw, cornisch erow [strook land]. De uitdrukking dat valt in goede aarde [dat valt in de smaak] is ontleend aan Marcus 4:8.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aarde znw. v., mnl. aerde, eerde, met rekking voor r + dentaal (vgl. aard en aars), onfrank. ertha, os. ertha, ohd. erda, ofri. erthe, oe. eorðe (ne. earth), on. jǫrð, got. airþa ‘aarde’ — Een dentaalafleiding van ohd. ero m. ‘aarde’, on. jǫrfi ‘zand’, vgl. gr. érā ‘aarde’, éraze ‘op de grond’. — Daarvan afgeleid aarden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aarde znw., mnl. aerde, eerde (dial. nog eerde), met ae, ee door rekking voor r + dentaal (vgl. aars). = onfr. ërtha, ohd. ërda (nhd. erde), os. ërtha, ofri. ërthe, ags. eorðe (eng. earth), on. jǫrð, got. aírþa v. “aarde”. De dentaal is formantisch, vgl. ohd. ëro m. “aarde”, on. jǫrfi m. “zand” en buiten ʼt Germ. gr. éraze “op den grond”, arm. erkir “aarde, land”. — aardappel znw. In dezelfde bet. ook nd. erdappel, hd. dial. erdapfel m., noorw., jutl. jordæble, zw. dial. jordäple, fr. pomme de terre, nl., mnd. erdappel, ohd. ërdaphul, ags. eorðæppel m. werden voor verschillende andere gewassen, nl. varkensbrood, meloen, komkommer of mandragora-vrucht gebruikt, de. jordæble = “helianthus”. De aardappel is eerst in 1565 in Europa geïmporteerd.

[Aanvullingen en Verbeteringen] aarde. Uit ’t Kelt. zijn nog kymr. erw, oudkorn. erw, ereu “veld”, bret. ero “vore” gecombineerd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aarde v., Mnl. en dial. eerde, Onfra. & Os. ertha + Ohd. erda (Mhd. en Nhd. erde), Ags. eorđe (Eng. earth), Ofri. erthe, On. jǫrd (Zw. en De. jord), Go. airþa + Oier. ert, Arm. erkir = aarde, Gr. éraze = ter aarde: Idg. wrt. er.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

eerd (zn.) aarde; Aajdnederlands ertha <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

aarde s.nw.
1. Planeet en woonplek. 2. Die mensdom as geheel. 3. Grond.
Uit Ndl. aarde, ook aard (Mnl. aerde), in Ndl. tans die gebruiklike vorm. Die aa van aarde het onder invloed van die r uit e(e) ontstaan. Reeds by Van Riebeeck in die samestelling aertvruchten (1 Oktober 1655).
Vgl. erd.

erd s.nw.
1. (streektaal) Aarde, grond (in samestellings soos ertappel, erdvark, erdwurm). 2. (minder gebruiklik) Erdewerk (in samestellings soos erdegoed, erdeskottel, erdewerk). 3. Emalje.
In bet. 1 en 2 uit verouderde Ndl. erde, eerde (Mnl. erde, eerde, ook aerde, airde), gewestelik nog bekend in S.Ndl. Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel, en verwys na die geglasuurde buitelaag van 'n erde-artikel wat afbreek of afsplinter wanneer dit hard gestamp of laat val word. Anders as in Ndl. waar aard of aarde gebruiklik is, kom die wisseling aa/e(e) voor r gereeld in Afr. voor, o.a. in erdvark naas verouderde aardvark, en ertappel naas die gebruikliker aartappel. In Afr. e(e)-woorde word 'n Hollandse oudheid bewaar wat in die Ndl. skooltaal verlore geraak het (Kloeke 1950). Reeds by Van Riebeeck op 16 Augustus 1659 in die samestelling eerde wallen (Resolusies van die Politieke Raad, C. 1), waarna in Afr. by Pannevis (1880).
Vgl. aarde.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

aar’de (de, -(s)), (ook:) naam voor een aantal soorten harder behorende tot het genus Mugil: spoelvormige, zilvergrijze vissen met een donkere rug, waaronder de kweriman*. Zie BN 120: 17; 1980. - Etym.: Het zou, evenals het syn. ader*, ontstaan kunnen zijn uit veroud. AN aarder of uit harder. Vgl. ook de S naam: adri.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

aarde: “die planeet”, – aar-/aard-/aart-/ert-/erd(e) – (veral in ss.) – ; Ndl. aard/aarde (Mnl. aerde/eerde, dial. nog eerde), Hd. erde, Eng. earth, hou wsk. verb. m. Gr. eraze, “op die grond”, vgl. o.a. aarbei, aartappel/ertappel, erdewerk, erdvark.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

aard 'beploegde of bebouwde grond, bouwland'
Mnl. aert 'beploegde of bebouwde grond, bouwland', ohd. art 'het ploegen', oe. earð 'het ploegen, veldvruchten', een afleiding bij germ. *arjan 'ploegen' (got. arjan, oe. erian, mnl. erien, eren). Niet verwant met nnl. aarde 'aardbol, aardoppervlak'. Een alternatieve etymologie voert zndl. aard 'begraasde oever, weiland' terug op onl. arda, met als betekenis 'bodemverheffing aan een waterloop, hoge oever' onder verwijzing naar lat. arduus 'hoog, steil'1.
Lit. 1Naamkunde 28 (1996) 100.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aarde wil van aarde niet (Duits Art läßt von Art nicht)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

In goede of vruchtbare aarde vallen, in vruchtbare grond vallen (van zaad); (fig.) positief ontvangen worden (van een opmerking, een voorstel e.d.), en, met tegengestelde betekenis:
In verkeerde, dorre e.d. aarde vallen, negatief ontvangen worden.

In de gelijkenis van de zaaier vergelijkt Jezus het evangelie met zaad, dat verkeerd terecht kan komen, maar ook in vruchtbare grond kan vallen en dan een rijke oogst oplevert. Naast de uitdrukking in goede aarde vallen zijn er met tegenovergestelde betekenis ontstaan, zoals: in verkeerde of dorre aarde vallen. De keus van verkeerde is hier niet meer door de letterlijke maar door de figuurlijke betekenis bepaald.

Leuvense Bijbel (1548), Matteüs 13:8. Maer die andere [zaden] sijn gheuallen in goede eerde.
De belofte van de regering om 100 miljard Franse frank aan schulden van de spoorwegen over te nemen, viel niet in goede aarde. (De Standaard, nov. 1995)
Het gezang viel in verkeerde aarde bij een voorbijganger, die een vuurwapen trok en enkele schoten loste. (Meppeler Courant, aug. 1993)
Mijn verzoek om de Kolvenierstoren eens van naderbij te mogen bekijken, viel tot mijn aanvankelijke verbazing niet in slechte aarde. (H. Lampo, De man die van nergens kwam, 1991, p. 81)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

aarde. In de vroege Middeleeuwen zwoer men bi der erden ‘bij de aarde’. Om zijn woorden kracht bij te zetten, hoefde men niet altijd bij het allerheiligste te zweren. Naast het aanroepen van God en de heiligen tot getuigen dat men de waarheid sprak, kon men ook zijn toevlucht nemen tot menselijke creaturen en andere wonderbaarlijke voortbrengselen van de schepping, zoals de aarde zelf. Gebruikte men de formule ijdel dan werd ze tot meineed en vloek.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Aard (grond; wereld; karakter) is afkomstig van den Idg. wortel ar = ploegen (vgl. ’t Lat. arare = ploegen); de oorspr. bet. van aard is dus ploeging, waaruit van zelf volgde die van ploegland, bouwland, bebouwde grond, bouwaarde. (De d achter ar is hetzelfde achtervoegsel als die in zaad van zaaien, gloed van gloeien, deugd van deugen, enz.) De nauwverwante begrippen: land bebouwen en land bewonen gaven aanleiding, dat aard ook de bet. kreeg van woonplaats, gewest, land, de aarde. Eveneens was de aard (de bouwgrond) de oorzaak, de „grond” van de „geaardheid” der voortgebrachte planten, d.i. van haar bijzonder karakter, haar soort, haar natuur. Zoo kreeg aard bij verdere overdracht de bet. van geaardheid, soort, karakter, natuur. (Mogelijk is het ook, dat de bet. van aarde als hemellichaam ook uit natuur ontstaan is.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aarde ‘grond; aardrijk’ -> Indonesisch arde ‘geleidende verbinding met de aardbodem’; Jakartaans-Maleis arde ‘grondkabel’; Negerhollands aarde, adu, aerde ‘aardrijk’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † adu, ard ‘aardrijk’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aarde* grond 0901-1000 [WPs]

aarde* onze planeet 1624 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

35. In goede aarde vallen.

Eig. gezegd van het uitgestrooide zaad, dat in goede aarde valt en opschiet; bij overdracht toegepast op denkbeelden en voorstellen, in den zin van: gunstig ontvangen worden; ontleend aan Marcus 4, 8: Het ander (deel van het zaad) viel in de goede aerde, ende gaf vrucht. Vgl. fr. tomber en bonne terre; hd. auf guten Boden fallen; eng. to fall on good ground; ook in Zuid-Nederland; zie Teirl. 406.

424. Dat brengt (of zet) geen zoden (of aarde) aan den dijk,

d.w.z. dat helpt, baat niet; dat brengt geen turf aan den wal (Harreb. II, 434 b); eig. dat brengt geen zoden om den dijk te stutten, die op het punt staat van door te breken (Gijsbr. v. Aemstel, 1288). In de middeleeuwen beteekende soden setten tegen de glooiïng van den dijk aanbrengen; zoden brengen om den dijk te stutten, die op 't punt staat van door te breken; zulke soden werden setsoden genoemdMnl. Wdb. VII, 1005; 1454.. De uitdrukking is in de 17de eeuw aangetroffen bij Vierlingh, 312: Zijluyden laeten hem duncken dattet verloren gelt is dat zij daeraen hangen (besteden) ende geene aerde aen den dijck en bringht; Vondel, Inwydinge van 't Stadthuis t' Amsterdam, vs. 735: Geen koejenujer maeckt de steên en dorpen rijck: de zeevaert bouwtze, en brengt eerst zoden aen den dijck; Winschooten 271: Dat en kan geen sooden aan den dijk setten: dat mag niet helpen: dat helpt soo veel, als een boon in een brouwketel; in W.D. Hooft's Clucht v. Jan Saly, 7 r:

 Al deetmen al syn best met nacht en dagh te spinnen,
 't Brenght geen soon anden dijck.

Ook bij Halma, 814 lezen wij: Dat brengt geen zooden aan den dijk, die winst kan niet verre strekken, c'est un petit profit, cela ne peut aider beaucoup; bij Sewel, 995: 't Brengt geen zooden aan den dyk ('t brengt geen voordeel aan), it doth not further the business, or it does not profit any thing; zie ook Tuinman I, 373; Harreb. I, 133 a; Ndl. Wdb. III, 2598; Nkr. VII, 21 Juni p. 6. De uitdr. is over geheel Noord- en Zuid-Nederland bekend. Zij luidt in het Friesch: dat bringt gjin seadden oan 'e dyk; oostfri.: dat smit gên sêdden an de dik; voor het Zuidnederlandsch zie Joos, 88; Schuermans, Bijv. 4 a; 63 a; Volkskunde XI, 160; Waasch Idiot. 174 a; 792 a; Loquela 113.

896. Hemel en aarde bewegen,

d.w.z. ‘alles in beweging brengen, alle mogelijke krachten en hulpmiddelen te werk stellen, om zijn doel te bereiken’. De uitdr. kan ontleend zijn aan den Bijbel; vgl. Haggai, 2, 7: Ende ick sal de hemelen, ende de aerde, ende de zee, ende het drooge doen beven; Jesaia, 13, 13: Daerom sal ick den hemel beroeren, ende de aerde sal beweecht worden van hare plaetse, enz. Zie Zeeman, 281; Laurillard, 69; Sewel, 109: Hemel en aarde beweegen om tot zyn oogmerk te komen; Joos, 58; Waasch Idiot. 285; Teirl. II, 26: Hemel en erde verroeren; Ndl. Wdb. VI, 544. Ook het Latijn kent caelum et terras miscere, in den zin van zich aanstellen, opspelen; fr. remuer ciel et terre; hd. Himmel und Erde bewegen; eng. to move heaven and earth. In het Zondagsblad v. Het Volk, 7 Mrt. 1914, p. 3 k. 3: De liberalen brachten hemel en hel in beweging om de regeering aan te sporen het kongres te verbieden.

2383. Het vette der aarde,

d.i. rijkdom en weelde; mnl. dat vette; eene uitdrukking, die ontleend is aan den Bijbel ‘waarin de woorden de vettigheden der aarde of des lands meermalen voorkomen om groote vruchtbaarheid, overvloed van koorn en gras en daarom groote welvaart aan te duiden’; zie Zeeman, 468; Laurillard, 61; Sp. d. Sonden, 9000: Den joden was belovet der erden vethede; Uit één pen, 118: Zij bezat van het vette der aarde zooveel, dat zij een klein huisje in eigendom had; Het Volk, 31 Juli 1915, p. 6 k. 4: Een theorie die hem leert dat voortdurend rijke menschen arm worden en arme menschen rijk, zoodat ieder op zijn beurt het vette der aarde geniet; vgl. o.a. Gen. XXVII, 28; 39; XLV, 18; enz.; fr. la graisse de la terre; eng. the fat of the land.

2397. Geen vinger in de asch (of de aarde) kunnen steken,

niet het minste of geringste kunnen doen; eene herinnering aan den tijd, toen er geen kachels maar open haarden waren, zoodat een kind zeer gemakkelijk een vinger in de asch kon steken (vgl. asschepoester). De uitdrukking dagteekent dan ook uit de 16de eeuw, blijkens Sart. I, 2, 20: Wy mogen niet een vinger in de Assche steken, wy hebben altijt de Lever gegeten; II, 7, 19: hy steeckt niet een vinger in d'assche buyten hem, ubi quis de minutissimis etiam rebus aliquem crebro, nimiumque diligenter consulit; III, 10, 29: Daer wert niet een vinger in d'assen gesteken, of hy weet het; Tuinman I, 159: Men mag niet een vinger in de assche steken, de meening is, niet het allerminste doen, of het word geweten; D. Meyd.S.v. Rijndorp, Derde Meydag of Verhuystijd, kluchtspel, 's-Gravenhage, 1708. 16: Geen vinger wiert in d'aard gestooken of het wiert voort van haar gerooken, C. Wildsch. III, 23: Mensch! wij kunnen geen vinger in de asch steeken, of hij wil het weeten; W. Leevend, II, 127; Harrebomée I, 21; Nest, 11: Niemand in de buurt kon een vinger in de asch steken, of ze waren er met hunne neuzen bij; B.B. 9: Ik kon geen vinger in de asch steken of mijn zeevader stond klaar mij te corrigeeren; Het Volk, 17 Sept. 1913, p. 8 k. 1: Mij om opheldering te laten vragen door het eerste het beste jonge broekje in de Partij, als ik een vinger in de asch steek, daar pas ik voor; Molema, 15: hij duurt (durft) gijn vinger in de aske steken, moet anderen steeds naar de oogen zien; fr. men kin gjin finger yn 'e yeske stekke. Ook in Zuid-Nederland: ge kunt geenen vinger in de assche steken, of hij weet het, men mag niet het minste doen, of hij bemoeit er zich mede (Antw. Idiot. 1550; Waasch Idiot. 81).

2445. Veel voeten in de aarde hebben,

d.i. veel moeite en zwarigheden opleveren; wellicht ‘eigenlijk ziende op het vellen van een boom, die met veel wortels (figuurlijk voeten; vgl. lat. pes, wortel; pes betaceus, beetwortel) vast in de aarde staat en dus niet met den eersten slag valt; maar altijd overdrachtelijk van allerlei moeilijke ondernemingen gezegd’Volgens H. Beckering Vinckers in Tijdschrift XXXIX, 159 eig. veel voetstappen in den grond, veel heen en weer geloop kosten; er zullen heel wat stappen om moeten worden gedaan (vgl. het zuidndl. ‘veel voeten op de eerde hebben’; Breug. 19 v: T is haest gheseyt, maar t' can qualick wesen; het sou met vreesen veel voeten op d' aerd' brengen; Waasch Idiot. 202: Veel voeten op de eerde hebben, veel geloop, veel drukte veroorzaken (ook Antw. Idiot. 1392); Loquela, 564: Dat heeft veel voeten-op-de-eerde gekost om de zake zooverre te krijgen.. Vgl. Hooft, Brieven II, 82: Schanssen ende sterkten, die voeten in de aerde hebben, ende swaerlijk uit deune (vasthoudende) handen te breken zijn; Coornhert, Vierschare, 424 r: Dat bewijs soude noch al te veel voeten in d'aerde hebben (soomen seydt); wanneer souden wy eynden? Hooft, Ned. Hist. 1; 481; Brieven, 158; 187; 355: Waar uit te scheppen staat, dat de zaak nog veel voeten in d'aarde zouw hebben, ende alzoo alles van geen leyen dak afloopen; V.d. Goes, Briefw. I, 110; R. Ansloo, 456: Nu zie ik, heel bezwaart, hoe al dit werk eerst heeft veel voeten in der aard; V. Moerk. 252: Ik hat het noyt gelooft dat heyliken soo veel voeten in de aert hat; Van Effen, Spect. III, 31; X, 202; W. Leevend IV, 79; Tuinman I, 247; Sewel, 902; Halma, 737; Harreb. I, 6 b; Sjof. 40: 't Had in den beginne heel wat voeten in de aarde gekost; De Telegraaf, 17 Nov. 1914 (avondbl.) p. 5 k. 5: Het over en weer passeeren der Nederlandsch-Duitsche grenzen heeft al heel wat voeten in de aarde gehad; Het Volk, 11 Januari 1915 p. 1 k. 1: Zelfs om deze internationale bijeenkomst op bescheiden schaal te doen plaats hebben, wat heeft het een voeten in de aarde gehad! In de 17de eeuw kende men in denzelfden zin veel voeten in 't sant hebben, dat voorkomt bij Pers, 732 a; 896 a; vgl. ook het fri. dat het foetten yn 'e groun of yn 't gat; nd. dat hett vêl Föt bi de Er, ist umständlich (Eckart, 135). Syn. Heel wat aarde aan den dijk hebben in Handelsblad, 29 Jan. 1918 (A) p. 1 k. 2: Het had heel wat aarde aan den dijk eer er eenigszins overeenstemming was over het al of niet doorvoeren van den voorgenomen maatregel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut