Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aardappel - (eetbare knol (van de Solanum tuberosum))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aardappel zn. ‘eetbare knol (van de Solanum tuberosum)’
Vnnl. als benaming voor verschillende knollen en vruchten die in of dicht bij de aarde groeien: eertnoten oft eertappelen ‘varkensbrood’ [1514; Herbarius gr.], aerdtappel ‘varkenskost’ [1542; Dasypodius], eerdappel “verckens brood” [1567; Nomenclator], aerd-appel ‘varkensbrood’ [1599; Kil.]. In de moderne betekenis pas nnl. aardappelen (naast aardbuylen) “potatoes” [1708; Sewel NE], dat onder de generale benaminge van aardvrugten, de aardappelen niet souden zijn begreepen [1712; WNT Supp.].
Gevormd uit → aarde en → appel 1.
Als oud woord: mnd. erdappel ‘komkommer, pompoen’; ohd. erdaphul ‘bepaald soort knol, pompoen’; oe. eorðæppel ‘komkommer’. In de moderne betekenis alleen: nnd. erdappel; nhd. dial. Erdapfel ‘aardappel’; nfri. ier(d)appel, jirpel; nde. jordæble (bij jord ‘aarde’), nzw. dial. jordäpple. In Zuid-Nederlandse dialecten ook eerdappel, erpel.
De aardappel raakte pas na 1565 in Europa bekend en kreeg daar verschillende benamingen. In de Zuid-Nederlandse dialecten is het Spaanse leenwoord → patat gebruikelijk, soms alleen voor de gekookte aardappel, bijv. naast West-Vlaams eer(d)appel ‘ongeschilde aardappel’. Hiermee wordt eigenlijk de soort Ipomoea batatas ‘zoete aardappel’ bedoeld (Duits Batate naast Süßkartoffel), zie → bataat. In het zuidoosten en oosten van Nederland verschijnt in de dialecten ook toffel, tuffel (als in Duits Kartoffel ‘aardappel’ [1758]), omgevormd uit ouder tartuffel < Italiaans tartufolo ‘truffel’ (< middeleeuws Latijn *territuberum ‘aardknol’), zo genoemd omdat de knollen wat op truffels lijken, zie → truffel.
Lit.: L. Grootaers (1926) ‘De Nederlandsche benamingen van den aardappel’, in: LB 18, 89-93; Seebold 1981, 212-217

EWN: aardappel zn. 'eetbare knol (van de Solanum tuberosum)' (1514)
ANTEDATERING: mnl. suinebroet. of erdappel. 'varkensbrood of aardappel' [1351; MNW-P]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aardappel* [eetbare knol] {erdappel [alruinwortel, varkensbrood] 1351; de huidige betekenis 1712} na de invoer van de aardappel in Europa, in 1565, ging de naam over op het nieuwe begrip met de bijgedachte aan aarde + appel1, nederduits erdappel, hoogduits dial. Erdapfel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aardappel znw. m., nnd. erdappel, nhd. dial. erdapfel. Een typisch noordnl. woord, dat ook in de aangrenzende duitse streken voorkomt, maar ook bekend is in Oostenrijk en de Boven-Elzas; verder nnoorw. jutl. jordæble, nzw. dial. jordäple, vgl. fra. pommes de terre.

De aardappel is eerst in 1565 in Europa bekend geworden; het woord is echter ouder, maar werd voor andere gewassen gebruikt, zoals ‘varkensbrood, meloen, komkommer, mandragoravrucht’, vgl. mnd. erdappel, ohd. erdaphul, oe. eorðæppel. — In Zuid-Nederl. gebruikt men het woord patat (zie aldaar). Voor de verbreiding zie de kaarten bij Martin, Teuth. 2, 1926, 64 vgl. en Grootaers, LBijdr. 18, 1926, 89. Het duitse kartoffel, sedert 1758, is ontstaan uit ouder tartuffel < ital. tartuffoli, zo genoemd naar de knollen, die op truffels gelijken; in Limburg en Oost-Nl. komen toffel, tuffel voor.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aardappel. Bij uitstek een noordnederlands woord, dat ook in aangrenzende duitse streken gebruikelijk is. Vlaams-België heeft, op twee menggebieden na, uitsluitend het synoniem patat. Zie de kaarten bij Martin Teuth. 2, 64 vlgg. en Grootaers Leuv. Bijdr. 18, 89 vlgg. Vgl. ook Frings Festschrift Behaghel 1924, 206 vlgg. Dit laatste woord is, evenals eng. potato (uit de plur. hiervan zw. potatis), via spa. patata, spa. port. batata afkomstig uit een amerikaanse taal, volgens de overlevering die van Haïti.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aardappel m., ook in ’t Nhd. erdapfel, gaat uit van dezelfde opvatting als de Fr. naam pomme-de-terre en de Ngr. gēómēlon; daarnevens is te stellen het in De. dial. veel voorkomende grumbire. d.i. grundbirne = grondpeer (in ’t Luikerwaalsch overgenomen: crompire). Men heeft echter niets anders gedaan, dan aan de Amerikaansche plant een naam te geven die reeds bestond; immers Mnl. aerdappel = varkensbrood, Ags. eordæppel, Ohd. erdaphul, Mhd. erdaphil = soort van meloen of komkommer of vrucht van de mandragora; vergel. ook ons aardbrood en aardpeer. Iets omtrent de herkomst der plant vernemen wij uit het Namensch des canadas, uit het Hgd. kartoffel en uit het in vele talen, ook in onze, gebruikte patat (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

eerappel (zn.) aardappel; Nuinederlands aardappel <1712> < Rienlands Erpel.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ertappel s.nw.
Aartappel (aartappel 1).
Uit verouderde Ndl. erdappel (al Mnl.) 'alruinwortel, mandragora', ook 'varkensbrood', waarmee na ander soorte knolplante verwys word.
Benewens Mnl. erdappel ook Middelhoogduits ertapfel, wat insgelyks na verskillende knolplante verwys het.
D. Erdapfel 'bepaalde aartappelsoort'.

aartappel s.nw.
1. Plant met ondergrondse knolle wat as groente gebruik word, of knol van hierdie plant. 2. Gat in 'n sokkie of kous wat aan die been is.
In bet. 1 uit Ndl. aardappel (1682, 1543 in die dialektiese vorm eerdappel), 'n samestelling van aarde en appel, lg. nie soseer soos tans die appel as vrugtesoort nie, maar om te verwys na iets wat rond is en wat aan 'n appel herinner. Ndl. aardappel is die gebruiklike woord in N.Ndl. om na die plant te verwys, terwyl patat die gebruiklike vorm in S.Ndl. is. Dat Pettman in 1913 nog aardappel i.p.v. aartappel opteken, toon dat die d mntl. eers daarna deur die t vervang is. Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel.
Hoewel die aartappel soos tans bekend eers in 1565 uit Peru na Europa gebring is en nie voor die middel van die 17de eeu alg. in Ndl. bekend geraak en in gebruik gekom het nie, was aardappel lank tevore reeds op mandragora of alruin en varkensbrood van toepassing gewees.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?,

Aartappel snw. Segsw.: Daar is ’n aartappel in jou kous of: Wat kos jou aartappels? skertsend gebruik wanneer iemand ’n gat in sy kous het. – Ter Laan 203: “Eerappels aċhter hakṇ (Hl.) = Knṑln in hoozṇ (= een gat in de kous):” Eckart I: “He hett Al in de Hasen.” H. (Wenn jemand faltige Strümpfe anhat.): Corn. en Vervl. 1961: “Zijn patatten komen uit:” Joos 509: id. of: “Hij verkoopt patatten” (in Suid-Nederland beteken patatten aartappels).
Segsw.: Praat of jy warm aartappels in jou mond het, onduidelik, binnensmonds praat. – Praten of je ’n hete aardappel in je mond hebt. – Alg. Ndl.: Ter Laan 387 i.v. kaauwṇ: “Hai het ṇ haide eerappel in de mond, hij praat moeilijk, onduidelijk, dubbeltongs.” Vergelyk ook Harreb. II. LIII: Hij praat, of hy eene pruim in zijn’ mond heeft. Sien hieronder pap.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

aardappel: dom persoon, sufferd. Vooral onder scholieren gebruikelijk. In ‘Zeg ’ns Aaa’, een populair tv-programma uit de jaren tachtig, noemde Mien Dobbelsteen haar man vaak een aardappel en een boterletter*. Vgl. Am. slang potatohead; Frans patate. Aardappelkop is Zuid-Afrikaans voor een domoor (De Beer & Laurillard). Zie ook: patat*.

Is ‘Nathan Sid’ een slecht boek? Misschien, want de schrijver is een aardappel. (Arbeidsvitaminen. Het ABC van Bril & Van Weelden, 1987)
De ‘dikke man’ die het Nederlandse kwaliteitswoord met een ploertendoder te lijf gaat, is naar alle waarschijnlijkheid de voorbode van een nieuw tijdperk dat ook door aardappel Jan Lenferink wordt ingeluid. (Trouw, 08/10/1993)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aardappel ‘eetbare knol’ -> Frans pomme de terre ‘eetbare knol; aardappelplant’; Baskisch lursagar ‘eetbare knol’ ; Grieks geōmèlo /geomilo/ ‘eetbare knol’ ; Esperanto terpomo ‘eetbare knol’ ; Perzisch sibzamini ‘eetbare knol’ ; Xhosa itapile ‘eetbare knol’ ; Ambons-Maleis artapel ‘eetbare knol’; Menadonees artápel ‘eetbare knol’; Creools-Portugees (Ceylon) artaple ‘eetbare knol’; Creools-Portugees (Malakka) atapal, artapal ‘eetbare knol’; Singalees aratäpäl, artāpal, artäpal, artäpäl ‘eetbare knol’; Tamil artapal ‘eetbare knol’; Japans dialect afura, anpura, appura-imo ‘eetbare knol’; Berbice-Nederlands adaplu ‘eetbare knol’; Papiaments batata ardapel ‘eetbare knol’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aardappel* eetbare knol 1712 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut