Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-aard - (achtervoegsel voor pejoratieve persoonsaanduidingen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-aard achterv. dat persoonsaanduidingen vormt van woordstammen met ongunstige betekenis
Mnl. -aert, -ard e.d. in Franse leenwoorden, bijv. musaert ‘sukkel, druiloor’ [1290-1310; MNW-R], groniard ‘knorrepot’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], in de leenvertaling galgaert ‘hij die moet hangen’ [1390-1410; MNW-R]. Vooral productief in het Vroegnieuwnederlands, bijv. dronkaerts (mv.) [1470; MNW onbestiert] (naast ouder dronker en dronkenaer), gierigaard [16e eeuw, zie → gierig], lafaard [17e eeuw, zie → laf].
Ontstaan onder invloed van Oudfranse leenwoorden op -ard. Het Oudfrans heeft deze gewoonte weer uit het Middelhoogduits overgenomen. Daar werden met -hard, dat als tweede lid in vele Germaanse persoonsnamen (bijv. Richard, Bernhard) voorkomt, ook algemene persoonsaanduidingen gevormd, meestal door samenstelling met woorden van ongunstige betekenis. Dit Duitse -hard had als naamvormend element oorspr. de betekenis ‘sterk, moedig’ en is identiek met → hard.
Ook het Engels heeft dit achtervoegsel overgenomen: ook eerst in leenwoorden, bijv. bastard, coward, later ook in inheemse vormingen, bijv. drunkard, dullard, wizard (van wise ‘wijs’).
In strijd met de gewoonte dat ontleende Franse achtervoegsel hun eindklemtoon behouden is de klemtoon in de -aard-woorden naar voren verlegd, wrsch. onder invloed van → -aar, dat ook personen aanduidt. Door contaminatie met -er kon dan ook een nevenvorm -erd ontstaan, bijv. in gluiperd, sufferd, stinkerd. Dit -erd staat vooral achter negatief geladen bn. of is zeer expressief, zoals bijv. in goeierd, en is in het NN productiever dan in het BN, waar men in deze functie veelal → -erik prefereert.
Lit.: L.A. te Winkel (1865) ‘Over de achtervoegsels -aard, -erd, -aar, -er’, in: De Taalgids 7, 1-12; Schönfeld 1970, par. 179

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-aard [achtervoegsel dat een mannelijke persoonsnaam vormt met meestal pejoratieve betekenis] {in bv. stoutaerd 1291} < frans -ard (zoals in grognard [mopperaar]) < germ. -hard (in persoonsnamen als Bernhard); later is het achtervoegsel verzwakt tot -erd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

-aard 2 suffix voor de vorming van nomina, waarnaast verzwakt -erd < fra. -ard (in woorden als richard) zelf weer uit het germ. overgenomen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

-aard 4 suffix, uit Fr. -ard (gaillard, renard, vantard), dat met It. -ardo uit het Germ. adj. hard = sterk, in zijn gebruik als tweede lid van eigennamen (Bernhard, Everhard enz.).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

-aard (Frans -ard)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

-aard ‘achtervoegsel dat een mannelijke persoonsnaam vormt met meestal pejoratieve betekenis’ -> Fries -aard ‘achtervoegsel dat een mannelijke persoonsnaam vormt met meestal pejoratieve betekenis’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut