Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aard - (wezen, natuur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aard zn. ‘wezen, natuur’
Mnl. aert ‘afkomst, geslacht; aard’ in uan arde sint si also gut ‘van afkomst zijn ze goed’ [1220-40; CG II, Aiol]; vnnl. aerdt ‘gesteldheid, levenswijze; ingeschapen gesteldheid, inborst’ [1504; WNT], ‘soort, slag’ [1612; WNT]. De uitdrukking een aardje naar zijn vaartje (voor vaartje zie → vader) verschijnt al in 1610 (WNT).
Mnd. art ‘afstamming, herkomst’; mhd. art ‘natuur, aangeboren eigenschappen; gesteldheid’ (nhd. Art); nfri. aard.
Misschien identiek met mnl. aert ‘bouwland, land, grond’; ook onl. ardon ‘wonen’ [10e eeuw; W.Ps.] en Sconarda ‘Schoonaarde (Oost-Vlaanderen)’ [1019-30; Gysseling 1960]. Dit woord is hetzelfde als os. ard ‘verblijfplaats’; ohd. art ‘het ploegen, bouwland’; ofri. erd in rāferd ‘onrechtmatig ploegen’; oe. eard; < pgm. *ar-di- ‘het ploegen’, dat zou behoren bij de wortel pie. *h2erh3- ‘het ploegen’. De betekenis zou dan van ‘land, verblijfplaats’ via ‘herkomst’ naar ‘wezen, natuur’ zijn gegaan. Volgens een andere opvatting mag men beide woorden niet verbinden. Dan zou aard verwant zijn met Latijn ars (genitief artis) ‘manier van voegen’; Sanskrit ṛtā, Avestisch aša-; en binnen het Germaans nog met oe. eard ‘toestand, lot’ en on. einarðr ‘eenvoudig, oprecht’; dan behorend bij de wortel pie. *h2er- ‘voegen, passen’. Sommigen verbinden dan alsnog de wortels pie. *h2erh3- ‘ploegen’ en pie. *h2er- ‘passen’ met elkaar: de gemeenschappelijke wortel zou dan ‘passend, geschikt, goed maken’ betekenen, maar dit lijkt zeer onwaarschijnlijk of moet voor-Indo-Europees zijn, dus een substraatwoord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aard* [akker, geaardheid] {in de plaatsnaam Sconarda, nu Schoonaarde 1019-1030, aert [beploegde of bebouwde grond, terrein, woonplaats, afkomst, geslacht, geaardheid] 1220-1240} oudsaksisch ard, middelhoogduits art, oudengels earð [woonplaats], oudnoors einarðr [eenvoudig, oprecht], gotisch arjan [ploegen]; buiten het germ. latijn arare [idem], grieks aroō, oudiers airim [ik ploeg].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aard 1 [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie E. Polomé, RBPhH 44, 106 [1966].

aard 1 znw. m., mnl. aert m. (ook v.) ‘bebouwde grond, landstreek, werf, veldvruchten, afkomst, geslacht, hoedanigheid’ (de lange klinker is ontstaan door rekking voor de verbinding r + dentaal, zoals in aarde, baard e.a.) — mnd. art. v., os. ard v. m.? ‘woonplaats’, mhd. art m. v. ‘afkomst, geaardheid, manier’, oe. eard m. ‘woonplaats, vaderland’, earð, ierð v. ‘het ploegen, veldvruchten’, on. ǫrð v. ‘oogst, opbrengst’. Men moet uitgaan van de betekenis ‘beploegde akker’, waaruit zich dan die van ‘land waar men (van vader op zoon) woont’ afleidt, dat dan verder voert tot ‘afkomst’ en ‘hoedanigheid’ (nl. ‘de aangeboren aard’). — Een dentaal-afleiding van de wt. *ar ploegen, vgl. mnl. ēr(i)en, ploegen, beploegen, mnd. êren, ohd. erien, ofri. era, oe. erian, on. erja, got. arjan ploegen. — lat. arare, gr. aróō, oiers airim, osl. orja, lit. ariù, waarnaast lat. arâtrum, gr. árotron, iers arathar, osl. ralo, lit. árklas ‘ploeg’.

J. Trier heeft overwogen, dat er in het idg. geen wort. *ar ploegen geweest zou zijn, maar dat men uit moet gaan van een woord voor gespleten stuk hout (die hij terugvindt in oi. arya- ‘vriendelijk, trouw, voortreffelijk’, eig. ‘wie tot de volksgemeenschap der ârya behoort’). Dan zou het germ. *arjan dus eig. betekend hebben ‘de grond bewerken met een gaffelvormig gespleten stok’ (vgl. PBB 67, 1944, 120-2).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aard I znw., mnl. aert (d). Met vocaalrekking voor r + dentaal evenals aarde, baard, baars enz. Mnl. aert m. (laat-mnl. ook v.) beteekent “bebouwde grond, land in tegenstelling tot water, landstreek, plein of werf, markt, kade, veldvruchten, afkomst, geslacht, geaardheid, hoedanigheid, manier van doen”. Vgl. ohd. art v. “het ploegen” (waarvan artôn “bebouwen, bewonen” = onfr., os. ardon “bewonen”, ags. eardian “wonen”), mhd. art m. v. “afkomst, geaardheid, manier” (nhd. art v.), os. ard (v. m.?) “woonplaats”, mnd. art v. “het ploegen, land, afkomst”, ags. eard m. “woonplaats, vaderland”, earð, ierð v. “het ploegen, veldvruchten”, on. ǫrð v. “oogst, opbrengst”. Wij hebben hier te doen met eenige verschillende formaties van de basis ar- “ploegen”, gedeeltelijk met germ. þ, gedeelt. met ð, deels m., deels v. De bet. “aard” laat zich uit “vaste woonplaats” verklaren (vgl. wonen, gewoon, gewoonte) en deze bet. weer uit “beploegd land, het ploegen”. Het is geheel onnoodig wegens de blijkbaar jonge bet. “geaardheid” een deel van de aangehaalde vormen van ar- “ploegen” te scheiden en met lat. ars “kunst, vaardigheid”, arm. ardar “rechtvaardig”, oi. ṛtá- “regel, gewoonte”, als bnw. “juist, gepast” te verbinden (idg. wortel ar- “samenvoegen”; vgl. arm I). Ar- “ploegen”, waarvan in ʼt Germ. mnl. ēr(i)en, “(be)ploegen”, ohd. erien, mnd. ēren, ofri. era, ags. erian, on. erja, got. arjan “ploegen” benevens on. arðr m. “ploeg” komen, is alg. -eur. en arm. (vgl. akker): ier. airim, lat. aro (-âre), gr. aroō, obg. orją, lit. ariù “ik ploeg”, ier. arathar, lat. arâtrum, gr. árotron, obg. ralo, lit. árklas, arm. araur “ploeg”. Verwantschap van aard met obg. rodŭ “geslacht”, arm. ordi “zoon” is ten onrechte vermoed.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aard I. Mnd. art v., westmnd. (westf.) ook m.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aard 1 m. (wijze), Mnl. aert + Mhd. art (Nhd. art), in oudere Germ. talen niet gevonden; wordt in verband gebracht met Lat. ars, artis en Skr. ṛtā. Velen echter maken geen verschil tusschen dit woord en aard 2.

aard 2 m. (veld, vasteland, aanlegplaats), gelijk in Hooiaard of in den datiefvorm Oudenaarde, Mnl. aert, Os. ard (woonplaats) + Ohd. art (veld), Ags. eard (woning), On. ard (oogst); van wrt. ar = ploegen + Lat. arare, Gr. aróein, Ier. airim, Arm. araur (= ploeg). Degenen die aard 1 hiermêe gelijkstellen, denken aan wonen, gewoonte en habiter, habitude.

aard 3 m. (afkomst, geslacht), is voor sommigen verwant met Lat. ortus, origo = herkomst, oorsprong; voor de meesten echter hetz. als aard 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

aard (zn.) 1. karakter; 2. (levens)lust, plezier; Vreugmiddelnederlands aert <1220-1240>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1aard s.nw.
1. Geaardheid. 2. Soort.
Uit Ndl. aard (Mnl. aert). Ndl. aard het 'n betekenisontwikkeling ondergaan vanaf 'geploegde akker' na 'land waar mense woon' na 'afkoms' na 'hoedanigheid'. Eerste optekening in vroeë Afr. op 21 Julie 1691 in die aanhaling "wrevelmoedigen aard" (Resolusies van die Politieke Raad, C.21).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

aard I: “geaardheid, natuur, soort, wese” (vgl. in d.kom by vRieb en Trig, Scho TWK/NR 7, afl. l); Ndl. aard (Mnl. aert, “geaardheid, manier van doen”), Hd. art, hou wsk. verb. met Mnl. er(i)en, “(be)ploeg”, en met Lat. aro en Gr. aróō, “ek ploeg”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aard (dat het een -- heeft) (Frans art)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Aard (grond; wereld; karakter) is afkomstig van den Idg. wortel ar = ploegen (vgl. ’t Lat. arare = ploegen); de oorspr. bet. van aard is dus ploeging, waaruit van zelf volgde die van ploegland, bouwland, bebouwde grond, bouwaarde. (De d achter ar is hetzelfde achtervoegsel als die in zaad van zaaien, gloed van gloeien, deugd van deugen, enz.) De nauwverwante begrippen: land bebouwen en land bewonen gaven aanleiding, dat aard ook de bet. kreeg van woonplaats, gewest, land, de aarde. Eveneens was de aard (de bouwgrond) de oorzaak, de „grond” van de „geaardheid” der voortgebrachte planten, d.i. van haar bijzonder karakter, haar soort, haar natuur. Zoo kreeg aard bij verdere overdracht de bet. van geaardheid, soort, karakter, natuur. (Mogelijk is het ook, dat de bet. van aarde als hemellichaam ook uit natuur ontstaan is.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aard ‘geaardheid’ -> Fries aard ‘geaardheid’; Deens art ‘geaardheid; biologische soort; (taalkunde) diathese’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors art ‘geaardheid; biologische soort’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds art ‘soort, species’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands art ‘geaardheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aard* akker 1019-1030 [Claes]

aard* geaardheid 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

33. Uit den aard slaan,

d.w.z. ‘zijnen aard gedeeltelijk verliezen; andere hoedanigheden aannemen, dan de aard medebrengt; ook toegepast op menschen, ten aanzien van hunne zedelijke hoedanigheden, wanneer deze beschouwd worden als kenmerken van hun geslacht’; Ndl. Wdb. I, 536. Bij Gruterus III, bl. 126 staat opgeteekend de spreekw. bastaarden nemen altyts wte van aarden, waar wij thans zeggen bastaarden slaan altijd uit den aard; 17de eeuw: uit het geslacht slaan (V.d. Veen, Zinneb. 32). Vgl. hd. aus der Art schlagen; eng. to grow out of kind (verouderd).

34. Dat het een aard heeft.

‘Eene gemeenzame uitdrukking (in de 17de eeuw o.a. voorkomend Brederoo II, 216; Com. Vet. bl. 61) die, naar gelang der omstandigheden, de waarde heeft van een der versterkende bijwoorden zeer, sterk, hard, duchtig, terdege, enz., en waarin aard dus, evenals in de zegswijze naar den aard, in de beteekenis van goede, sterke aard of wijze genomen wordt. Ndl. Wdb. I, 538; fri. dat it in aerd het; hd. schreiben dass es (nur so) eine Art hat.

36. Een aardje naar zijn vaârtje,

van een zoon gezegd, die - hetzij ten kwade of ten goede - naar zijnen vader aardt; Ndl. Wdb. I, 537. Deze zegswijze is in de 17de eeuw al zeer gewoon. Voor bewijsplaatsen zie Harrebomée I, 5; Brederoo III, 191; Ogier, 28:

En had' ick de weet
 Dat gy waert een aertjen, naer't Vaertjen, ick smeet
 U met de Cop tegen de steenen.

Ook in Zuid-Nederland is zij thans nog bekend volgens Schuermans, die bl. 5 citeert: 't Is een aar(t)ken naar zijn vaârken; bl. 171: Hij heeft een haarke van (naar) zijn vaarke (Antw. Idiot. 114); zie ook Waasch Idiot. 271: Een haarken van zijn vaarken hebben, naar zijn vader aarden. In verwante Duitsche dialecten ontmoeten wij deze zegswijze eveneens; o.a. in het Nederduitsch: 't is een Artje van Vârtje (Eckart, 2) of ook 'n ârdje fan 't fârtje (Dirksen, I, 9). Vergelijk verder nog Tuinman I, 6; Erasmus, 334-337; Teirl. 8: Hie heet 'n aarke va' zijn' vaarke; fri. in aerdtsje nei (fen) syn faertsje, en de Groninger zegswijze: Zij heeft een snoertje van haar moertje (Taalgids VIII, 108), dat te vergelijken is met Waasch Idiot. 607 b: een snoerken van moerken hebben, en nedersaks. oortjen van 't moortjen (Taalgids IV, 266).Laurillard bl. 93 meent den oorsprong der zegswijze te moeten zoeken in Joh. 38-44, vergeleken met Hand. VII: 51, 52. Vgl. ‘zoo moer, zoo dochter’ ontleend aan Ezech. XVI; 44.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut