Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aar - (van een graangewas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aar zn. ‘hoofd van korenhalm’
Mnl. aar [1240; Bern.], .vij. aer vul van corne ‘zeven aren vol met graankorrels’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]. In de oudste Nederlandse attestaties is het een onzijdig woord. Het meervoud mnl. die aer werd later echter opgevat als een vrouwelijk enkelvoud.
Os. ehir (mnd. ār); ohd. ahir, ehir (mhd. eher, äher; nhd. Ähre); nfri. ier; oe. ēar (ne. ear). Met -s- in plaats van -r- volgens de grammatische wisseling verder nog on. ax; got. ahs, teruggaand op de s-stam pgm. *ahaza-, *ahiza-, *ahuza- ‘aar’.
Mogelijk verwant met Latijn acus ‘kaf’; Grieks akostḗ- ‘gerst’, ákhnḗ- (< *ak-s-nā-) ‘kaf’; bij de wortel *h2ek-s- ‘scherp’ (zie → eg), maar de wisseling -az-/-iz-/-uz- is niet Indo-Europees. Men zou dus aan substraatherkomst kunnen denken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aar* [bovenste deel van de halm van graangewassen] {aer(e) 1201-1250} oudhoogduits ahar, oudengels ear, met s in plaats van r (zoals in vries-vroor):, oudnoors ax, gotisch ahs, waarnaast gotisch ahana [kaf]; buiten het germ. latijn acus [kaf], grieks achnè [kaf].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aar 1 znw. v. mnl. aer o. en v. — os. ehir o. (vgl. aarin bnw. ‘in de aren staand’), ohd. ahar, ehir (nhd. ähre), oe. ear m. o. (naast north. dat. æhher, eher). Daarnaast met gramm. wisseling: on. ax, got. ahs. De grondvormen zijn *ahaz, ahuz en ahiz. — lat. acus o. ‘bolster, kaf’, gr. áchnē ‘kaf’ (uit *aḱ-s-nā), waarnaast áchuron ‘kaf’, ws. uit *aḱuron onder invloed van áchnē ontstaan. — De idg. wortel *aḱes, *aḱs is een s-afleiding van de wortel *aḱ, waarvoor zie: eg.

Verwant zijn, maar met l-suffix afgeleid, vla. echel ‘angel aan het kaf van enige grasgewassen’, mv. echelen ‘kaf van stro’, ohd. ahil (nhd. achel) v. ‘punt van een aar’, oe. egle ‘punt, baard (van een aar)’, nzw. dial. egel, ägel, ‘puntig opgroeiend plantje’, en met een n-suffix: ohd. agana, oe. egenu, on. ǫgn, got. ahana ‘kaf’, vgl. lat. agna ‘aar’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aar I znw., mnl. aer o. en v. Het v. znw. is uit den ouden pluralis die aer te verklaren = ohd. ahir, ehir o. (nhd. ähre v.), os. ehir o. (aarin bnw. “uit aren bestaande"), ags. êar m. o. (*ahuz-; naast north. dat. æhher, eher, stam *ahiz-) (eng. ear); met gramm. wechsel on. ax, got. aks o. “aar”. Een idg. woord = lat. acus o. “bolster, kaf”. Een afl. van den bij eg II besproken wortel ăḱ- “scherp, puntig zijn”. Vgl. vooral vla. echel “angel aan ʼt kaf van zekere grasgewassen”, mv. echelen “kaf van stroo”, ohd. ahil (nhd. achel) v. “punt van een aar”, oudnhd. agel, egel “arista, palea, festuca”, ags. egle v. “punt, baard (van een aar)”, zw. dial. egel, ägel “puntig opgroeiend plantje”, got. ahana v., on. ǫgn, ohd. agana, ags. egenu v. “kaf”, lat. agna “aar” (*acnâ), gr. ákhnē “kaf” *áxvā. Of met áchuron “kaf” verwant?). Lit. akửtas, opr. ackons “baard van een aar” hebben een afwijkende gutturaal, vgl. bij eg I en eg II over de wortels ăk- en oq-.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aar I. Men zal voor mnl. aer, evenals voor mnd. âr o., wegens het ontbreken van de umlaut, moeten uitgaan van een grondvorm *ahuz- of *ahaz-.
Wat gr. ákhnē ‘kaf’ betreft, een derde mogelijkheid is, dat het uit *akna͂ vervormd is onder invloed van ákhuron ‘kaf’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aar 2 v. (koornaar), Mnl. aer, Os. ehir + Ohd. ahir (Mhd. eher, Nhd ähre), Ags. ear (Eng. ear), On. ax (Zw. en De. aks), Go. ahs, van een Germ. wrt. ah, Idg. wrt. ak, die ’t Osl. ostrŭ = scherp, Lat. acus = naald, acus = kaf, acies, Gr. ákōn = spies, ákros = scherp, Arm. aselu = naald, Skr. açriṣ = hoek gegeven heeft. De Westgerm. r is uit Ug. z tegenover Noord- en Oostgerm. s.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1aar s.nw.
Gedeelte van 'n plant, veral koring, waarop die saad of korrels voorkom.
Uit Ndl. aar (Mnl. aer) 'aar, koringaar'.
Eng. ear.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Aar (korenaar); de r staat voor een oudere s, vgl. waren en was, (Got. ahs), van den Germ, wortel ah (spits) en dit van Idg. ak = spits, puntig of scherp zijn; vgl. ’t Lat. acus = naald. Zie ook Egge.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aar* bovenste deel van de halm van graangewassen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut