Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aanzienlijk - (groot, belangrijk, van aanzien, voornaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aanzienlijk bn. ‘groot, belangrijk, van aanzien, voornaam’
Mnl. aensienlike (bw.) ‘duidelijk zichtbaar, blijkbaar’ [MNHW]; vnnl. aensienlijck “dat eere oft verwonderenss weert is” (‘dat lof of verwondering waard is’) [1553; WNT verwonderenswaard], aensienlick ‘groot, mooi’? [1554; WNT zwaluwwortel], ‘geducht’ [1605; WNT redoutabel], aensienlijck ‘in groot aanzien’ [1606; WNT verbazen], ‘loffelijk’ [1613; WNT vereeuwen], aensienelijck ‘voornaam’ [1618; WNT], ‘van behoorlijk grote omvang’ [1652; WNT commando].
Afleiding van → aanzien.
Mnd. ansinlik; nhd. ansehnlich [eind 15e eeuw]; nfri. oansjenlik.
De betekenisontwikkeling is gelopen van ‘zichtbaar’ via ‘groot’, ‘mooi’ en ‘de moeite waard om gezien te worden’ naar ‘voornaam, belangrijk’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

aansienlik b.nw.
1. In 'n groot mate. 2. Groot, belangrik. 3. In aansien, vernaam, hoogstaande. 4. Mooi van aansien, voorkoms.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. aanzienlijk (17de eeu). Bet. 4 het in Afr. self ontwikkel, wsk. n.a.v. Ndl. aansien 'uiterlike voorkoms'. Eerste optekening in Afr. in bet. 4 by Changuion (1844).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

aansienlik: “belangrik; groot; vermoënd”; so ook Ndl. aanzienlijk, maar Afr. het. “mooi v. voorkoms” blb. in Ndl. onbek., hoewel dit verb. hou m. Ndl. aanzien (Mnl. aensien/anesien), “uiterlike voorkoms”, en ook dial. Ndl. (Mans KHI).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aanzienlijk ‘door stand, vermogen of macht boven anderen verheven’ -> Fries oansjenlik ‘door stand, vermogen of macht boven anderen verheven’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut