Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aanzien - (beschouwen, aanschouwen; aankijken; geduld hebben met)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aanzien ww. ‘beschouwen, aanschouwen; aankijken; geduld hebben met’
Mnl. Alle den ghenen die desen Brief Anesien ‘al degenen die deze brief zien, lezen’ [1254; CG I, 54], eyselic taensiene ‘vreselijk om te aanschouwen’ [1285; CG II, Rijmb.]; al dat voor recht is aenghesien ‘alles wat als recht is beschouwd’ [16e eeuw; WNT]; vnnl. den tijt aen te sien ‘een afwachtende houding aan te nemen’ [1624; WNT], sagh Petrum aen ‘keek Petrus aan’ [1688; WNT]; nnl. zie het nog wat aan ‘heb er nog wat geduld mee’ [1784; WNT].
Gevormd uit → aan en → zien.
Mnd. ansen ‘aanzien; beschouwen’; mhd. ansehen (nhd. ansehen); nzw. anse ‘vinden, menen’ (< mnd.), åse ‘beschouwen, bekijken’.
In het BN is aanzien onscheidbaar gebleven in de betekenis ‘beschouwen (als)’: Luimige poëzie aanzie ik als ... ‘humoristische poezie beschouw ik als ...’ [1853; WNT toespijs], voor wien aanzag men hem nu ‘wie dacht men nu dat hij was’ [1881; WNT treffelijkheid].
aanzien zn. ‘uiterlijk, aanblik; achting, eer’. Mnl. als naam van een personage Suete Anesien ‘schoon uiterlijk’ [1300-50; MNW-R], scoon aensien ‘schone aanblik’ [1375-1400; MNW-R], des enghels aensien ‘de aanblik van, het zien van, de engel’ [1400-50; MNW-P]; personen van aanzien ‘aanzienlijke lieden’ [1597; WNT verraderij]. Zelfstandig gebruik van het werkwoord aanzien, misschien ontleend aan of beïnvloed door Duits Ansehen ‘aanblik, uiterlijk’ [16e eeuw; Kluge], daarna ook ‘achtenswaardige verschijning, achtenswaardigheid’.

EWN: aanzien ww. 'beschouwen, aanschouwen; aankijken; geduld hebben met' (1254)
ANTEDATERING: onl. anasian 'aanschouwen' in: so ich thich ... muoz anne sehan 'zodat ik jou mag aanschouwen' [ca. 1100; ONW]
EWN: ♦ aanzien zn. 'uiterlijk, aanblik; achting, eer' (1300-50)
ANTEDATERING: onl. ansiuni 'aanblik' in: thaz mich niewehtes nelustet neware sinero ansiune 'zodat mij niets aangenaam is dan zijn aanblik' [ca. 1100; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aanzien (het -- hebben van) (vert. van Frans avoir l’air de)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Zonder aanzien des persoons, onafhankelijk van rang, stand of andere eigenschappen van de persoon; bij beoordelingen e.d.: onpartijdig.

'Aanzien des persoons in het gericht is verkeerd', zegt Spreuken 24:23 (NBG-vertaling). Aanzien heeft in deze uitdrukking de betekenis: het in acht nemen, mee laten wegen. De hierboven genoemde verbinding met zonder komt pas in de jongere bijbelvertalingen voor. De Statenvertaling (1637) heeft in het hieronder geciteerde vers: zonder aanneming des persoons. De NBV heeft alleennog de verbinding met zonder.

Luthervertaling Visscher (1648-1896), 1 Petrus 1:17. Indien gij Hem als Vader aanroept, die zonder aanzien des persoons oordeelt naar ieders werk.
Er werd door beide partijen [...] zonder aanzien des persoons om de winstpremie gevochten. (B. de Graaf, Daar sta je dan als koffiedikkijker, 1996, p. 50)
Rebellen die moorden, martelen en brandstichten zonder aanzien des persoons [in Freetown, Sierra Leone]. (NOS-Journaal, 2-3-1999)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aanzien ‘houden voor, beschouwen’ -> Deens anse ‘beschouwen, iets of iemand aanzien voor’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors anse ‘beschouwen; (juridisch) straffen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands aanskien, ansien ‘houden voor, beschouwen’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

25. Aanzien doet gedenken,

d.i. ‘het zien van een persoon maakt, dat men aan hem denkt; of wel, het zien van een voorwerp maakt, dat men zich iets verledens herinnert’; Ndl. Wdb. I, 509. Vgl. mnl. aensien doet gedenckenTijdschrift XXI, 204.; Plantijn: Aensien doet gedincken, la veue ou regard faict souvenir, aspectus ad memoriam revocat, praesentia memoriam refricat; Goedthals, 24: Aensien doet ghedencken, l'oeil amour attire; Brederoo, Moortje, vs. 1670; V.d. Venne, Zinnebeelden, 29; Sewel, 19: Aanzien doet gedenken, sight calls to remembrance, or to mind; Halma, 14, die het vertaalt door: la vue rapelle le souvenir des choses; zie verder Harrebomée III, 2; Waasch Idiot. 45: aanzien doet gedenken (en de waren doen den koopman wenken); Teirl. 7.

26. Zonder aanzien des persoons,

d.i. zonder te letten op den stand, de geboorte, den rijkdom, den ouderdom, enz. van den persoon. Deze uitdrukking is van bijbelschen oorsprong; men vindt haar Rom. 2:11: Want daer en is geen aenneminge des persoons by Godt. Vgl. hiermede Spreuken, 24, 23; 2 Kron. 19:7; Deut. 10:17; Sewel, 20: Zonder aanzien van personen, without respect of persons; Harreb. I, 3 b; Ndl. Wdb. I, 512; XII, 1324; fr. sans considérer des personnes; hd. ohne Ansehen der Person; eng. irrespective of persons; without respect of persons.

1608. Iemand met den nek aanzien.

Hetzelfde als: iemand den nek, den rug toekeeren (Ndl. Wdb. VII, 1982), iem. geen blik waardig keuren, met verachting bejegenen; over schouder aanzien (Winschooten, 253; De Brune, Bank. II, 226; fri. op 'e side oansjen, skouderje). Zie Campen, 109 en 119: Hy siet hem mit den necken aen; R. Visscher, Sinnepoppen, LII: Als zyse arm gemaeckt en uytgesopen hebben, soo keeren sy hun de eers toe en siense met de neck aen; Vondel, Adonias, vs. 817; Six v. Chandelier, Poesy, 547: Gelyk een boom, om zulken heimelyk gebrek, niet aangesien werd, met den nek; Brederoo, Moortje, vs. 604: Myn Maechschap schuwtmen, en aensien my met de neck; Hooft, Baeto, vs. 2: Bejegent met de neck; Antonides, Ged. II, 201; Van Effen, Spect. X, 171; Br. v. Abr. Bl. I, 57; Tuinman I, 327; Sewel, 519: Iemand met de nek aanzien, to disdain looking at one; Halma, 378; Harreb. II, 119; Ndl. Wdb. IX, 1817; Ppl. 165; Sjof. 221; B.B. 281. Bij de Brune, Bank. I, 273 in denzelfden zin iemand met de neckeput aanzien.

1984. Iets met scheele oogen aanzien,

iets met nijd en afgunst aanzien. Het adjectief scheel heeft hier de beteekenis van scheef; vgl. zndl. scheels, zijlings; Zaansch: scheel vouwen, scheef vouwen; hd. scheel in 't opperd. = schief. De uitdr. komt sedert de 17de eeuw voor. Zie Ndl. Wdb. X, 2269; XIV, 333; Tuinman II, 189: Hy heeft daar een scheel oog op, hy ziet dat met nyd, of argwaan; Antw. Idiot. 1066: Scheele oogen maken, iemands wangunst opwekken; hd. etwas mit schelen Augen ansehen; Scheelsucht, nijd, naijver. Vgl. de vroegere zegswijze: Ongelijke schotels maken scheele oogen (zie Harreb. I, 92).

2467. Iemand (niet) voor vol aanzien,

d.i. iemand (niet) voor volslagen rekenen, hem (niet) tellen als iemand die alle vereischten in een bepaalde aangelegenheid bezit, ‘hem (geen) gepasten ouderdom, goed verstand en geoefendheid in eenige zaak toekennen’Uitlegk. Wdb. op Hooft IV, 291.. Vgl. Huygens, Korenbl. II, 192 (woordspel); Tuinman I, 274: Men ziet hem niet voor vol aan, dat is, men acht hem niet voor zulk een, in wien het vereischte is; Van Effen, Spect. IX, 239: Zo moet gy u verzekeren dat ge nog niet voor vol kunt aangezien worden, en om, een kinderlyke dog kragtige spreekwyze te gebruiken, dat ge nog maar voor spek loopt. Vroeger ook iemand voor vol inschrijven, dat voorkomt bij Sart. III, 7, 64: Scribe tui gregis hunc et fortem crede bonumque, schrijft hem voor vol in; bij Hooft, Brieven, 278: Ik begin Huigens uit zijn' weer te zetten, ende voor vol aan te nemen dat gy toveren kunt; bl. 532: Zoo men dit mag voor vol aanneemen (d.i. als de volle waarheid mag beschouwen), de invallers zullen vinden met wien te spreeken; ook Tac. Jaarb. 108; Starter, 426: Ick spreeck jou immers soo lieflijck toe as ick kan, en wil je dat noch niet nemen voor vol an? Harreb. II, 402. In het Friesch beteekent immen for fol oansjen, iemand voor een gezeten man houden (Fri. Wdb. I, 388 a); hd. einen für voll ansehen, nemen, wohl eigentlich mit einem von Münzen hergenommenen Bilde; vgl. vollwichtig (Paul, Wtb. 610); mnl. volwichtich, zijn volle gewicht hebbende.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut