Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aanzicht - (uiterlijke vorm)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aanzicht zn. ‘uiterlijke vorm’
Mnl. aensicht(e) ‘aanblik, het aanschouwen’ [1230; CG I, 19], ‘masker, mombakkes’ [ca. 1325; MNW], ‘uiterlijk, voorkomen’ [14e eeuw; MNW], ‘(aan)gezicht’ [1340; MNW].
Gevormd uit → aan en → zicht, een afleiding bij het werkwoord → zien.
Mnd. ansicht; ohd. anasiht (mhd. anesicht; nhd. Ansicht (waaruit → ansicht); ofri. onsecht (nfri. oansicht); ne. onsight ‘voorspellende blik’ [19e eeuw].

EWN: aanzicht zn. 'uiterlijke vorm' (1230*)
ANTEDATERING: int ansichte 'in het gezicht' [1254; VMNW]
{*De oudste datering in het EWN is onjuist. Die betreft een afschrift van een Latijnse tekst. De vertaling in het mnl. van deze tekst is uit het vierde kwart van de 13e eeuw.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aanzicht o., staat tot aanzien als aangezicht (z.d.w.) tot aangezien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aangezicht, aanzicht ‘gelaat’ -> Fries aangesicht ‘gelaat’; Deens ansigt ‘gelaat; gezichtsuitdrukking; aanzien’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ansikt ‘gelaat; gezichtsuitdrukking; aanzien’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ansikte ‘gezicht’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands aangesicht, aangesecht, angesigt ‘gelaat’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut