Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aanvallig - (bekoorlijk)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aanvallig* [bekoorlijk] {1633} van middelnederlands aenval, waarvan de eerste betekenis is ‘de wijze van zich aan iem. voordoen’, bv. soeten aenval, en de tweede ‘vijandige benadering’; pas daarna komen andere betekenissen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aanvallig bnw. Eerst sedert Bredero overgeleverd. Zal wel van noordholl. oorsprong zijn, want het is afgeleid van het in dit dialect voorkomende aanvallen in de zin van ‘bevallen, aanstaan’. — Zie: bevallig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aanvallig bnw., eerst nnl. Het znw. aanval “bevalligheid” reeds bij Bredero. Sluit zich bij een dial. (N. Holl.) aanvallen “bevallen, aanstaan” aan evenals bevallig bij bevallen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aanvallig bijv., van ouder en dial. aanval = bevalligheid, aanvallen = bevallen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aanvallig* bekoorlijk 1633 [WNT abel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut