Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aanvaarden - (accepteren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aanvaarden ww. ‘accepteren’
Mnl. aneverden ‘samenkomen, ontmoeten’ [1240; Bern.], anverden ‘ontvreemden’ [1292; Stall. I, 35], aenverden ‘aanvallen’ [14e eeuw; MNW], anvaerden ‘in beslag nemen’ [1348; Stall.]; vnnl. aenveerden ‘arresteren’ [1545; Stall. I, 35], anveerden ‘(een tocht) ondernemen’ [1551; Stall.].
Gevormd uit → aan en een werkwoord afgeleid van → vaart ‘tocht’.
Mnd. aneverden ‘aanvallen, arresteren’; ohd. anafarton ‘aanvallen’, beide afgeleid van het zn. ohd. anafart ‘aanstorm, aanloop’; nfri. oanfurdigje (maar oangean met betrekking tot een reis of erfenis).
De oorspr. betekenis was ‘zijn vaart (= weg) richten op, zich op weg begeven naar’, bijv. in Dese anevaerden die woestine ‘zij begaven zich naar de woestijn’ (MNW). Later werd het woord ook in overdrachtelijke zin gebruikt: ‘iets aanpakken, beginnen’; zie ook → dagvaarden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aanvaarden* [beginnen] {aenvaerden [de tocht ondernemen, ter hand nemen, gelaten dragen] 1201-1250} gevormd van aan + middelnederlands vaert [reis, tocht], van varen2 [gaan].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aanvaarden ww., mnl. aenvaerden, aenveerden, aenverden ‘de reis ondernemen, iemand aanspreken, aanvallen, omhelzen, iets aanraken, aanvaarden, aannemen’. Afgeleid van aan en vaart. De mnl. vorm met ee wijst op een grondvorm *anafarðian, daarnaast stond *anafarðōn, vgl. ohd. anafartōn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aanvaarden ww., mnl. aenvaerden, aenve(e)rden “den tocht ergens heen aanvaarden, naderen tot, aantasten, aanvallen, ondernemen, in bezit nemen”. Een afl. van aan + vaart, stam *farði-. Mnl. aenve(e)rden, dial. nnl. (vel.) anvêrdǝn wijst op een grondvorm *anafardian; zoo ook mnd. anverden “aanvallen, arresteeren”. Tot een andere conjugatieklasse behoort ohd. anafartôn “gaan naar, aanvallen”. Het Mnl. kent ook aenvaerdighen “aantasten, in bezit nemen” = mnd. anverdigen (naast anverden), mhd. anvertigen “aanvallen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aanvaarden o.w., Mnl. aenvaerden, aenvaerdigen + Ohd. anafartôn: van een Mnl. subst. aenvaert (Ohd. anafart, Mhd. anfart) = de daad van aanvallen, van aanvatten. Evenzoo Mnl. aenvaerdigen, Mhd. anvertigen van ’t adj. (Ohd. anafartig). Z. aanmatigen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Aanvaarden. Aan beteekent hier: in de richting van en vaarden zal wel gevormd zijn van vaart, Mnl. vaerde, dat oorspr. gang beteekende; ook reis, tocht. (Vaart is zelf afgeleid, door middel van t van varen, dat oorspr. gaan beteekende: hemelvaart, reisvaardig, enz.) Aanvaarden was dus op iets aangaan, later ook met vijandige bedoeling: iemand aanvallen, aangrijpen, en hieruit iets aanvatten, iets beginnen (een reis, een ambt) of iets aannemen (aanvatten): een geschenk, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aanvaarden ‘beginnen’ -> Fries oanfaarde ‘beginnen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aanvaarden* beginnen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut