Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aansteker - (apparaat om vuur te maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aansteken ww. ‘in vlam zetten; besmetten’
Mnl. aensteken ‘aantrekken’ [1340-50; MNW], ‘bestoken’ [1322; MNW], ‘(brand) aansteken’ [1390; MNW], ‘aanvallen, in beroering brengen’ (MNW); nnl. ook ‘infecteren, besmetten’ [1784; WNT].
Gevormd uit → aan en → steken.
Nhd. anstecken; nfri. oanstekke.
De basisbetekenis ‘steken, stoten’ van het simplex is aanwezig in aansteker ‘werktuig waarmee de giettap in de oven wordt gestoten’, een term uit de metaalindustrie.
aansteker zn. ‘apparaatje om rookwaar aan te steken’. Nnl. aansteker ‘id.’ [1941; Verschueren], maar al mnl. aensteker ‘brandstichter’ [MNHW].

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aansteker ‘apparaat om vuur te maken’ -> Fries oanstekker ‘apparaat om vuur te maken’; Indonesisch anstéker, stéker, téker ‘apparaat om (een sigaret) mee aan te steken, te doen ontvlammen’; Menadonees anstèker, angstèker, stèker ‘apparaat om vuur te maken’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut