Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aanspraak - (gelegenheid om iemand te spreken; recht om bezit of gebruik van iets te vorderen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aanspraak zn. ‘gelegenheid om iemand te spreken; recht om bezit of gebruik van iets te vorderen’
Mnl. ansprake ‘aanspraak, eis’ [1300; CG I, 2807]; vnnl. aenspraec, aensprake ‘eis, aanklacht’.
Samenstelling van → aan met het zn.spraak. Oorspr. betekende het ‘het aanspreken van iemand’ of ‘het opzoeken van iemand met het doel hem te spreken’, wat ook tegenwoordig nog voorkomt. Het woord werd echter ook in juridische zin gebruikt in combinatie met recht: aenspraecke veur/in recht ‘een eis stellen’, dus eigenlijk ‘iemand voor het gerecht aanspreken’, waaruit de betekenis ‘eis’ en later ‘het recht om een eis te stellen’ is ontstaan, zie ook → aansprakelijk.
Ohd. anasprāhha ‘vordering, aanspraak’ (nhd. Ansprache ‘toespraak’); oe. onspræc ‘spraak, gesprek’, ofri. onsprēke ‘aanklacht, bezwaar’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aanspraak ‘eis’ -> Zweeds anspråk ‘eis’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments † aanspraak ‘eis’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

20. Aanspraak hebben op iets,

d.i. het recht hebben om het bezit of genot van iets in rechten te vorderen. Voorheen gold aensprake voor het aanspreken in rechten, de gerechtelijke eisch.Mnl. Wdb. I, 151. Nog in de 17de eeuw bezigde men aensprake en antwoord voor hetgeen nu eisch en antwoord (of verweer) heet. Thans echter wordt aanspraak, als rechtsterm, niet meer opgevat als eisch zelf, maar als het recht om iets te eischen. Vgl. Sewel, 15: Aanspraak, of eisch in Rechten, demand; Halma, 11: Aanspraak, aantaal. Eisch, of verzoek, in regten, demande en justice, action. Zie verder het Ndl. Wdb. I, 341 en Sewel, 15: Aanspraak op iets maaken, to lay claim to a thing; fri. oanspraek meitsje op; hd. Anspruch machen auf etwas

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut