Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aanschijn - (gezicht; tegenwoordigheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aanschijn zn. ‘gezicht; tegenwoordigheid’
Onl. antsceini ‘gezicht’ [10e eeuw; W.Ps.] (met andere ablaut), ook in de combinatie an antsceine godis ‘in tegenwoordigheid van god’; mnl. anschijn, anschin ‘aangezicht’ [1265-70; CG II, Lut.K], anschiin [ca. 1300; Claes 1982:780]; vnnl. aenschijn ‘aanblik’ [1613; WNT].
Gevormd met → aan bij het sterke werkwoord → schijnen.
Mnd. anschin ‘gezicht’; nhd. Anschein ‘schijn’; nfri. oansjen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aanschijn* [gelaat] {oudnederlands antscêine 901-1000, middelnederlands aenschijn} van middelnederlands aenschinen [beschijnen, aanlichten, blijkbaar zijn], van aan + schijnen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aanschijn znw., mnl. aenscijn o. ‘gelaat, aanblik’, mnd. anschīn ‘aangezicht’, — Zie: schijnen.

In het germ. is meer verbreid onfrank. anliton ‘gezicht’, ohd. antlizzi, antlutti, (vgl. nhd. antlitz), ofri. ondleta, oe. ondwlite m. on. andlit o. afgeleid van germ. *wlit- ‘zien’ vgl. on. líta ‘zien’ (AEW 358). Daarnaast verder got. andawleizn o. ‘aangezicht’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aangezicht znw. o., mnl. (zeldzaam) aenghesichte o., een contaminatievorm van aensichte en ghesichte o., die beide o. a. “gelaat, uiterlijk” en “aanblik” beteekenen en ook in andere wgerm. diall. voorkomen. Vgl. ook mnd. angesicht “het zien, gelaat”, mhd. angesiht o. “aanblik, gelaat” (nhd. angesicht). Een archaïstisch woord is ndl. aanschijn o., uit mnl. aenscijn o. “uiterlijk, gelaat”, ook “aanblik”, = mnd. anschîn o. “aangezicht”, een ndd.-ndl. afl. van schijnen. Meer verbreid zijn afll. van de germ. basis wlit- “zien” met de bet. “aangezicht, gelaat”: onfr. anliton “vultus, faciem”, ohd. antlizzi o. (nhd. antlitz; naast ohd. antlutti) ofri. ondlëta, ags. ondwlita m., on. andlit o.; hierbij ook got. andawleizn o. “aangezicht”, ofschoon de formatie niet klaar is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aanschijn ‘gelaat’ -> Negerhollands anschein ‘gelaat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aanschijn* gelaat 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2686. In het zweet zijn aanschijns.

Deze woorden zijn ontleend aan Gen. III, vs. 19, waar God na den zondeval tot Adam zegt: In 't sweet uwes aenschijns sult gy broot eten; vgl. fr. à la sueur de ton front (ou de ton corps); hd. im Schweisze deines Angesichtes; eng. in the sweat of thy brow (or face).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut