Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aanranden - (lichamelijk lastigvallen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aanranden ww. ‘lichamelijk lastigvallen’
Mnl. anransen ‘aanranden, aantasten’ [1408-14; MNW]; vnnl. Van hem wordt ghi aengerandt (verl.deelw.) ‘door hem word je aangevallen’ [1544; WNT], verdere betekenissen: ‘aanspreken’ [begin 16e eeuw], ‘aantasten, betasten’ [1612; WNT], ‘aangrijpen, aanpakken’ [1618; WNT].
Herkomst onzeker. Volgens FvW is het afgeleid van het zn. rand, zoals aenboorden ‘aanklampen’ bij boord (zoals Frans aborder bij bord). Het zn. rand wordt echter niet in die betekenis gebruikt. Mogelijk is er evenwel sprake van volksetymologie en was er toch een associatie met rand. Maar misschien moet men eerder denken aan een werkwoord *(aan)ranten. Dit zou verwant zijn met mhd. ranzen ‘wild heen en weer springen’ [15e eeuw], het zn. Ranz ‘heftige beweging, ruzie’ en misschien met Duits anranzen ‘afsnauwen, uitschelden’, dat echter pas sinds de 18e eeuw en dan ook nog alleen in het Zuid-Duits wordt gevonden. Bovendien is de overgang -t- > -d- moeilijk te verantwoorden. Het woord *ranten/ranzen zou in de betekenis ‘heen en weer lopen’ een frequentatief bij → rennen kunnen zijn, maar ook hier is de overgang -t-/-s- > -d- duister. Voor een verklaring daarvan kan men denken aan hypercorrectie via het verl.deelw.
Lit.: K. Heeroma (1944) ‘Aanranden, aanransen’, in: TNTL 63, 305-310

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aanranden* [te lijf gaan] {aenranden [aanvallen] 1544, vgl. aenransen 1408-1416} gevormd van aan + ranten [onzin praten, kletsen], nevenvorm van oostmiddelnederlands ransen [worstelen], hoogduits ranzen [paren van wild]; de oorspr. betekenis was dus ‘iemand aanspreken’, vgl. iemand aanklampen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

aanranden

Het werkwoord aanranden is gevormd van het zelfstandige naamwoord rand en het bijwoord aan in de zin van: aanraking en aanranden betekent dus letterlijk: aan de rand van iets geraken. Oorspronkelijk is het een scheepsterm die hetzelfde betekent als het verouderde aanboorden: aan boord komen, aanklampen. Het Frans heeft a-bord-er voor: aanklampen, aanspreken en in die laatste vreedzame betekenis kwam aanranden vroeger ook voor. Maar nu is de vijandelijke bedoeling de enige. Iemand aanranden is immers: iemand overvallen, daarbij geweld gebruikende. Men kan echter ook iemands eer of goede naam aanranden, dat wil zeggen: door lasterlijke taal schade doen, benadelen, schenden. Maar tegenwoordig denkt men vooral aan de oneerbare bedoelingen waarmee aangerand wordt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aanranden ww., mnl. aenranden. De oude verklaring uit rand in de betekenis van ‘scheepsboord’ (vgl. fra. aborder ‘aanklampen’) voldoet niet geheel, omdat rand in deze betekenis niet bekend is. Daarom eerder een variant van aanranten, vgl. nhd. anranzen (ook nl. aanransen, indien niet uit het nhd., dan een affectieve bijvorm van aanranten), die Wadstein, PBB 22, 1897, 252 verbindt met noorw. zw. ranta ‘heen en weer lopen’, een iteratief-formatie bij rennen. Sedert de 16de eeuw ook nl. als ‘oppakken, te lijf gaan’ (vgl. K. Heeroma, Ts. 63, 1944, 305-310).

aanranden [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 226 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aanranden ww., mnl. aenranden “aanranden, aanvallen''. Bij rand gevormd, evenals Kil. “aenboorden. Holl. Appellere” bij boord en fr. aborder “aanklampen” bij fr. bord. Het laat-mnl., 16- en 17-eeuwsche synoniem aanransen, -zen zou een ndl. s-afl. kunnen zijn. Waarschijnlijker is duitsche oorsprong, vgl. mhd. ranzen “onrustig rondspringen”, ranz m. “strijd”, (Teuth. ranssen “worstelen"?), nhd. anranzen “woest op iemand losgaan” met hd. z uit t, vgl. zw. dial. rannta, noorw. ranta “doelloos rondloopen”, een afl. van den stam van rennen. Of mnl. ranten “kletsen, babbelen”, zw. dial. rannta “leuteren” hetzelfde woord is, is onzeker. Met ʼt oog op eng. to rant met de overgangsbet. “uitvaren, uitgelaten zijn” mag dit vermoeden niet zonder meer van de hand gewezen worden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aanranden o.w., met aan, denom. van rand, gelijk Fr. aborder van bord en accoster van costé, côté.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

aonranne (ww.) te lijf gaan; Middelnederlands anransen <1408-1414>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aanranden ‘met misdadige bedoelingen te lijf gaan’ -> Fries oanrande ‘met misdadige bedoelingen te lijf gaan, aanklampen’;? Duits anranzen ‘aanblaffen, aansnauwen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aanranden* te lijf gaan (al dan niet met ontucht) 1544 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut