Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aanmatigen - (zich)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aanmatigen (zich) ww. ‘op onpassende wijze aanspraak maken op’
Vnnl. ‘zich toe-eigenen’ in haer zelven aen te matighen [1658; WNT]. Eerder al, met dezelfde betekenis, zich aanmeten [1623; WNT aanmeten], een woord dat al eerder (en nu nog steeds) bestond in de betekenis ‘voor zich (of iemand anders) laten maken, toemeten’ [1334-40; MNW aanmeten].
In de 17e eeuw ontleend aan Nieuwhoogduits sich anmaßen ‘id.’, ontwikkeld uit Middelhoogduits sich anemāzen [ca. 1500; Pfeifer], gevormd met an(e)- (zie → aan) bij het zn. māze ‘maat’ (Nieuwhoogduits Maß, zie → maat 1).
In de oudste vindplaatsen van deze pejoratieve betekenis kan zich aanmeten beschouwd worden als leenvertaling van het Duits werkwoord. Door homonymie met het al bestaande werkwoord zich aanmeten ‘voor zich laten maken, toemeten’ werd echter algauw de variant zich aanmatigen gebruikelijker. De vorm van dat woord zal beïnvloed zijn door volksetymologische associatie met zich matigen, dat in zekere zin (‘zich bescheiden opstellen’) het tegengestelde betekent.

EWN: aanmatigen (zich) ww. ‘op onpassende wijze aanspraak maken op’ (1658)
ANTEDATERING: Hem-selven ... aenmatigen 'onbeschaamd aanspraak maken' [1630-34; iWNT boud]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aanmatigen, zich [wederrechtelijk aanspraak maken op] {1658} de oudere vormen zich aanmeten [zich toe-eigenen], middelnederlands enen iet aenmeten [toemeten], werden vervangen door zich aanmatigen < hoogduits sich anmaszen, middelnederduits sik anematen [zich toe-eigenen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aanmatigen ww., ouder zich aanmeten ‘zich toeëigenen’, mnl. aenmēten, mnd. sik ānemāten ‘zich toeëigenen’. Het nnl. woord is in de 18de eeuw ontleend aan nhd. sich anmassen ‘zich aanmatigen’ (waaruit ook nde. anmasse sig) en dan voorzien van de jongere uitgang -igen (zoals eindigen naast einden).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aanmatigen (zich) ww. In de plaats gekomen voor het 17-eeuwsche zich aanmeten “zich toeëigenen”, eig. “zich toemeten”, vgl. mnl. aenmēten “toemeten, toekennen”. Wsch. heeft invloed van hd. sich anmassen “zich aanmatigen”, vroeger “zich toeëigenen” gewerkt; hiervan komt de. anmasse sig “zich aanmatigen”. Vgl. ook mnd. sik ānemâten “zich toeëigenen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aanmatigen (zich). Mnd. sik ānemâten ‘zich aanmatigen, op zich nemen’. Hoewel dus de voor het Ndl. karakteristieke bet. ‘onrechtmatige aanspraak maken op’ bij dit mnd. woord vroeger voorkomt dan bij hd. sich anmassen, zal toch dit laatste, eerder dan het mnd. woord, bij het opkomen van ndl. (zich) aanmatigen invloed hebben gehad.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aanmatigen o.w., vroeger sich aenmeten; van adj. *aanmatig, dat van subst. *aanmate, de daad van zich iets aan te meten, d.i. iets voor zich te pas te maken. Nhd. anmaszen, Mhd. anemâʒen zijn rechtstreeks van het subst. gevormd.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aanmatigen (Duits anmaßen)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Aanmatigen. Er bestond vroeger (o. a. bij Vondel nog) een w.w.: zich aanmeten, dat oorspr. bet.: iets wat ons niet past, voor zich van pas maken; daaruit ontwikkelde zich de meer fig. beteekenis: iets wat ons niet past toch doen; iets waarop men geen recht heeft, toch ten uitvoer brengen, dus min of meer eigendunkelijk, onrechtmatig handelen. Vermoedelijk werd van dit w.w. een bijv.nw. aanmatig gevormd en hieruit ontstond het tegenwoordige w.w. zich aanmatigen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aanmatigen, zich wederrechtelijk aanspraak maken op 1658 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut