Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aangezicht - (gelaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aangezicht zn. ‘gezicht, gelaat’
Mnl. aneghesichte ‘gelaat’ [1348; MNHWS]. Daarnaast al eerder zonder ge-: ansichte [1230-31; CG I, 19]). In woordenboeken veelal beide vormen: angesycht off ansicht [1477; Teuth.], aensicht, aengesicht [1573; Thes.], Aen-ghesicht, aen-sicht [1599; Kil.].
Volgens FvW en NEW ontstaan door contaminatie van ghesichte en aensicht. Belangrijker is wrsch. de invloed van het Duits, waar het woord namelijk eerder voorkomt, als verbaalabstractum bij het werkwoord ansehen ‘aanzien’ met het achtervoegsel -ti, met als betekenis ‘het zien, aanzien’. De betekenis is ook daar beïnvloed door het zn. Gesicht ‘gezicht’.
Os. angisiht ‘gezicht’ (mnd. angesicht ‘het zien, gezicht’); mhd. angesiht ‘het zien, gezicht’ (nhd. Angesicht); nfri. oan(ge)sicht.
Het eertijds synonieme → aangezicht heeft inmiddels een enigszins gewijzigde betekenis gekregen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aangezicht* [gezicht] {aengesichte 1477} contaminatie van aensichte [gelaat] {1254} en gesicht(e) [gezicht, aangezicht] {1450} vgl. middelnederduits angesicht, middelhoogduits angesiht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aangezicht znw. o., mnl. (zelden) aenghesichte, ontstaan uit de verbinding van aensichte en ghesichte, vgl. mnd. angesicht ‘aanblik, gelaat’. — zie: aanschijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aangezicht znw. o., mnl. (zeldzaam) aenghesichte o., een contaminatievorm van aensichte en ghesichte o., die beide o. a. “gelaat, uiterlijk” en “aanblik” beteekenen en ook in andere wgerm. diall. voorkomen. Vgl. ook mnd. angesicht “het zien, gelaat”, mhd. angesiht o. “aanblik, gelaat” (nhd. angesicht). Een archaïstisch woord is ndl. aanschijn o., uit mnl. aenscijn o. “uiterlijk, gelaat”, ook “aanblik”, = mnd. anschîn o. “aangezicht”, een ndd.-ndl. afl. van schijnen. Meer verbreid zijn afll. van de germ. basis wlit- “zien” met de bet. “aangezicht, gelaat”: onfr. anliton “vultus, faciem”, ohd. antlizzi o. (nhd. antlitz; naast ohd. antlutti) ofri. ondlëta, ags. ondwlita m., on. andlit o.; hierbij ook got. andawleizn o. “aangezicht”, ofschoon de formatie niet klaar is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aangezicht o., staat tot Mnl. aenghesien, als zicht tot zien; het bet. 1) de daad van aanzien, 2) wat men aanziet, het uiterlijke van iets, 3) wat men aanziet bij iemand tot wien men spreekt, het gelaat + Nhd. angesicht.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

In, voor het aangezicht van, in rechtstreekse confrontatie met.
Van aangezicht tot aangezicht, in rechtstreeks, persoonlijk contact, vaak met de bijgedachte dat de ontmoeting een bijzonder of plechtig karakter heeft.

Aangezicht heeft in oudere teksten de abstracte betekenis 'het zien, aanzien', en vandaar ook 'tegenwoordigheid', maar ook de concrete betekenis 'gezicht, gelaat'. In van aangezicht tot aangezicht is de laatste betekenis van toepassing. Het is een mooi voorbeeld van het gebruik van een woord dat een deel (het gezicht) noemt om naar het geheel (de persoon) te verwijzen (pars pro toto). In de eerste hierboven genoemde verbinding, met het voorzetsel voor, is de oorspronkelijke betekenis nog duidelijk aanwezig. De uitdrukkingen sluiten soms bij de bijbelse sfeer aan zoals we die in het bijbelvers hieronder vinden; er is dan sprake van de aanwezigheid van een verheven of goddelijk wezen. De uitdrukking is echter ook aangetroffen in een beperktere opvatting 'met de gezichten, de voorzijde van het lichaam naar elkaar gekeerd'. De NBV gebruikt het archaïsche aangezicht niet meer.

Statenvertaling (1637), 1 Samuel 1:19. Ende sy stonden des morgens vroech op, ende sy baden aen voor het aengesichte des HEEREN. (In de Liesveldtbijbel (1526) vindt men hier aensicht.)
Ken je 'Cosi fan tutte'? Die opera is een demonstratie van het menselijk kunnen in het aangezicht van de dood. (De Volkskrant, 27-11-1999, p. 1R)
Deux-Aesbijbel (1562), Exodus 33:11. De Heere dan sprack met Mose van aengesichte tot aenghesichte, als een man met synen vrient spreeckt.
Men ontdekt dat men van aangezicht tot aangezicht staat met een schitterend en verheven hemels wezen. (B. Greenwel, Koendalini en transformatie, 1993)
Een man en een vrouw die van aangezicht tot aangezicht met elkaar de liefde bedrijven. (Onze Taal, 1994, nr. 12)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aangezicht* gezicht 1477 [Claes Tw. 9]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

14. Uit iemands aangezicht gesneden zijn,

d.i. sprekend op iemand gelijken. Vgl. Sartorius II, 8, 47: Aut Plato Philonissat, aut Philo Platonissat, Malkander soo gelijck, of d'een uyt d'anders hert gesneden waer. Per allegoriam torqueri poterit ad quosvis inter sese vehementer similes. Quia vero hic morum similitudo potissimum significatur, ut diximus nostrate lingua, Of de een uyt des anders hert gesneden waer, ad imitationem tritissimi apud nos sermonis, quo formae similitudinem summam significantes, dicimus: Hy is hem soo gelijck of hy uyt sijn aengesicht gesneden waer. Zie verder Marnix, Byen-korf, 209: Daer sach hy den voorghenoemden Prothonotaris met een Pauselijck habijt sitten, die sijnen meester alsoo natuerlijck gheleke, of hy uyt sijn aensicht ghesneden ware geweest. Vondel, Jozef in 't Hof, 185: Daer de soon uit 's vaders aensicht schijnt gesneên; V. Moerk. 122; Smids, De geschaakte Cynthia: Zy zyn gelyk van gelaat als waar des eenen aengezicht uit des anderen gesneeden (anno 1688); Hooft, Warenar, 1470; Gedichten I, 196:

 Laet mij, Mars, oft anders een'
 Wt zijn aengezicht gesneên,
 Doen eerbiedelijck met zijnen
 Wtgestorten moed verschijnen,
 Voor die Venus van gelaet;
 'K wed zij Venus gangen gaet.

Halma, 176: Hij gelijkt zijnen vader als of hij uit desselfs troonie gesneeden was; Tuinman I, 89. Te vergelijken is nog Campen, 76: Hy is hem also gelyck, als oft hy hem wt der huyd ghesneden waere, dat bij Agricola luidt, 639: Er ist yhm also ehnlich, als were er yhm aus der haut geschnitten. Thans zegt men in het nd. dat Kind is sinen Vater ût de Ogen krôpen (Mecklenburg); hd. einem wie aus den Augen (of aus dem Gesicht) geschnitten sein; eng. I'm sure he is the very moral of you, as like as if he had been spit of your own mouth (Smollet; zie Prick, 2); he is the very spit of his father; in het Friesch: hja is hir mem ut 'e mûle stapt, eig. zij is haar moeder uit den mond gestapt; in Vlaanderen: 't Is zijn vader gedraaid en gesponnen of gewisseld en gedraaid (De Cock1, 225).

1631. Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht,

d.i. wie van zijne nabestaanden kwaad spreekt, deelt zelf in de schande. Vgl. Fridank, 118, 3: Sin selbes schande er mêret der sîn geslehte unêret; mnl. sijns selfs locht scuut hi sere, die sinen gheslachte sprecht onnereTijdschrift XII, 101; 108.. Zie verder Campen bl. 8: wie syn noese afsnijdet, die schendet syn aensicht, variant van die zyn neus snydt, schendt zyn gezicht (zie Ndl. Wdb. IV, 2207); Goedthals, 28: die synen neuse scheynt bederft zyn aensichte; Hooft, Schijnheilig, 435: Doe hy my altemael had laeten wtkallen, seidt hy; êele man, houdt uw rust; 't is uw huisvrouw: snydy uw neus af, ghy schent uw aensicht; Smetius, 129; Van Moerk. 561; Cats I, 476 en Tuinman I, 199: Die zyn neus afsnyd, schend zyn aangezigt (zoo ook bij Halma, 379); dit drukt aardiguit, dat yemand zich onteert, door gebreken van zyne nabestaande te ontdekken; II, 60: Dit is een oud spreekwoord; 't wil zeggen, dat schoon tusschen bloedverwanten wel eens twist ontstaat, die echter niet te hoog moet loopen, om dat zy altoos moeten denken, dat ze malkanders vleesch zyn, en blyven; C. Wildsch. IV, 36; 190; Ppl. 43; 80; Nkr. III, 10 Jan. p. 2: Wees maar niet bang dat ik u in de krant zal zetten; we dragen immers één naam, en wie z'n neus schendt, schendt z'n aangezicht; Villiers, 87. Voor Zuid-Nederland zie De Bo, 739 a; Antw. Idiot. 1915: die zijnen neus schendt, schendt zijn aangezicht; Waasch Idiot. 457 b; 574 a: schendt ge uwen neus, ge schendt uw aangezicht. In het hd. wer seine Nase abschneidet, der schändet sein Angesicht; fr. c'est se couper le nez pour faire dépit à son visage; oudfr. qui son nez coupe il déserte son vis; eng. don't cut your nose off to spite your face; de. hoo som skaerer sin Naese af, skamferer sit eget Ansigt; zie verder Taalgids IV, 264; Dirksen I, 68; Jahrb. 38, 161; Wander III, 951-952 en vgl. het fri. dy 't him sels yn 'e noas byt, skeint syn antlit of oansicht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut