Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aangeschoten - (dronken)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aangeschoten* [dronken] {1880} naar analogie van gevogelte of wild dat niet neer- maar aangeschoten is en zich fladderend of zwalkend voortbeweegt.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

aangeschoten

Het werkwoord aanschieten betekent in de eerste plaats: door een schot wonden, even raken. Maar men vindt het ook in de betekenissen: snel aantrekken (een jas aanschieten) en snel naderen (op het hulpgeroep kwamen de omwonenden aanschieten). Het voltooide deelwoord van aanschieten luidt aangeschoten en betekent dus: gewond en wel zodanig dat de gewonde nog lopen kan, zij het met moeite. Men zegt het oorspronkelijk van wild (een aangeschoten haas of patrijs) en daarna ook van personen die enigszins ‘geraakt’ door dronkenschap, zich nog slechts met moeite kunnen voortbewegen. Vroeger zei men het ook van verliefden, die dus door de pijlen der min waren getroffen. Ook het Duitse angeschossen betekent zowel dronken als verliefd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aangeschoten ‘getroffen’ -> Papiaments aangeschoten ‘voetbalterm’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aangeschoten* dronken 1880 [WNT weg I]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

12. Aangeschoten.

Een der vele woorden voor: een weinig dronken, half onder de pannen zijn (Jord. 252), half kanes zijn (Jord. 288), half teut zijn (Jord. 147), half bezaanschoot an (in Prol. 10); gewit zijn (in Prol. 11). Oorspronkelijk is het een jagersterm. De jagers verstaan onder aanschieten ‘het wild met een schot treffen, doch zóó dat het nog weder loopen of vliegen kan’. Daar dit dan zeer gebrekkig en met moeite gaat, zegt men aangeschoten ook van personen, die min of meer geraakt zijn door een lichten graad van dronkenschap; Ndl. Wdb. I, 293; Antw. Idiot. 102; Molema, 11 a: anschoten, een weinig dronken; fri. hy is oansketten; Schuermans, 586 a: eene scheut in zijnen vlerik hebben; hd. angeschossen sein; amer. shot in the neck.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut