Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aanfluiting - (voorwerp van bespotting)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

aanfluiting zn. ‘voorwerp van spot’
Zeventiende-eeuwse afleiding van het ww. aanfluiten, een zestiende-eeuwse leenvertaling van Hoogduits anpfeiffen. Luther gebruikt in 2 Kronieken 29:8 das man sie anpfeifft ‘dat men ze bespot’ en in Jeremia 51:37 zum anpfeiffen ‘tot mikpunt van spot’.
Als eerste heeft de Vorsterman Bijbel uit 1528 de combinatie van aan met fluiten: Daer wt is die gramscap des Heren ouer Iuda ende Ierusalem gecomen, ende heeftse gegeuen in beroeringhen ende verwoestinge, datmense aenfluyt, alsoo ghi met uwen ooghen siet (2 Kronieken 29:8). De Liesveldtbijbel (1542), Biestkensbijbel (1560) en Deux-Aesbijbel (1562) gebruiken in deze passage nog aenpijpt, met het oudere ww. pijpen ‘fluiten’. Wel komt aenfluyten in de Biestkensbijbel en de Deux-Aesbijbel voor in Jeremia 51:37: Ende Babel sal ten steenhoop, ende tot eener draken wooninghe worden, ten wonder, ende ten aenfluyten, dat niemant daerinne woonet (1562).
Het huidige zn. komt voor het eerst voor in de Statenbijbel (1637), waar ter aenfluytinge staat in 2 Kron. 29:8, tot eene aenfluytinge in Jeremia 19:8 en tot eene ontsettinge ende aenfluytinge in Jer. 51:37. Vanuit de Statenbijbel is het woord in de standaardtaal gekomen.
Fluiting bestond al eerder in de letterlijke betekenis ‘gefluit’. In 1481 vinden we floytinghe in Die gesten of geschiedenisse van Romen. De variant fleitinge in het volgende citaat van Engelsman (1485) heeft betrekking op het gefluit of gezang van een vogel: als si niet wt en wil so duwet si dat een ore stijf tegen die aerde ende dat ander oer stopt si mit horen stert op dat si sijn fleitinge niet horen en sal ‘Als ze [nl. de adder] niet uit [haar hol] wil dan duwt ze haar ene oor stijf tegen de grond en het andere oor stopt ze dicht met haar staart, opdat ze het gefluit [van de vogel] niet hoort’. Zie voor de klankvariatie tussen ui, oi, ei onder fluit. Tussen 1485 en 1637 is fluytinghe ‘gefluit’ slechts enkele malen overgeleverd, bijv. in het Brusselse rederijkersspel Jupiter en Yo (1583), bij Kiliaan (1599), die het met ‘fluiten, klakken met de tong’ vertaalt, en in de Epitheta van Anthoni Smijters (1620).
Literatuur: Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart (2005), Nieuw Bijbels Lexicon s.v. aanfluiting; Sarah De Paepe (2007-08), Poetische spelen van sinnen van Jupiter en Yo: Derde spel met prologen en derde Arguatie van Minnen. Teksteditie met inleiding, verklarende aantekeningen en vertaling. Licentiaatsverhandeling Univ. Gent.
[Gepubliceerd op 13-11-2014 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aanfluiting* [voorwerp van bespotting] {1637} bijbelse uitdrukking (Zefanja 2:15 en Ezechiël 27:36) gevormd van aan + fluiten, d.w.z. naar iem. fluiten om hem te bespotten (vgl. fluit).

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Aanfluiting, voorwerp van spot; schandelijke zaak, blunder.
Tot een aanfluiting maken, tot een voorwerp van spot, tot schande maken.

Op verschillende plaatsen in de bijbel, in Jeremia, Micha en in de Kronieken, wordt gesproken over het verval van het volk Israël, in het laatstgenoemde bijbelboek in de volgende woorden: '... zodat de toorn des HEREN op Juda en Jeruzalem rustte en Hij hen maakte tot een voorwerp van schrik en ontzetting en tot een aanfluiting' (2 Kronieken 29:8, NBG-vertaling). Aanfluiten komt ongeveer overeen met ons uitfluiten, wegfluiten 'door fluiten bespotten, zijn afkeuring laten horen over (iets)'. Dit werkwoord komt zo in de Deux-Aesbijbel (1562) voor, bijvoorbeeld in Jeremia 51:37, terwijl de Liesveldtbijbel (1526) aenpijpen gebruikt. De Statenvertaling is waarschijnlijk de bron van het nu nog populaire aanfluiting.
De uitdrukking tot een aanfluiting maken komt met dit werkwoord pas in de NBG-vertaling voor -- de Statenvertaling heeft setten -- en is al aan het verouderen, terwijl aanfluiting zonder meer ook in de informele taal heel gewoon is. De NBV kent het woord aanfluiting niet meer, juist wegens de gewijzigde gevoelswaarde.

Statenvertaling (1637), Jeremia 19:8. Ende ick sal dese stadt setten tot eene ontsettinge, ende tot eene aenfluytinge: al wie voorby haer gaet, sal sich ontsetten ende fluyten over alle hare plagen.
Zij noemde de oude zuivelfabriek een ellendig ding, een aanfluiting voor het dorp. (Meppeler Courant, okt. 1991)
Bij Brecht is de associatie met de DDR onvermijdelijk. Hij overleed er in 1956 zonder ooit publiekelijk het zetbazenregime te hebben verloochend dat zijn communistische overtuiging tot een gruwelijke aanfluiting maakte. (NRC, 13-11-1999, p. 35)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aanfluiting* voorwerp van bespotting 1637 [Statenvertaling (2 Kronieken 29:8)]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut