Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aanbidden - (vereren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aanbidden ww. ‘vereren’
Mnl. aenbidden (sterk werkwoord) ‘zijn gebed richten tot, verzoeken’ [1380; Stall. I, 16] zoals in Wi comen om hem aen te bidden [1480; MNW]. De huidige betekenis lijkt dus laatmiddeleeuws te zijn. Daarnaast bestond een zwak werkwoord anebeden ‘aanbidden’ [1240; Bern.], dat tot in de 16e eeuw in gebruik bleef.
Gevormd uit → aan, dat richting aanduidt en het sterke werkwoord → bidden, resp. het zwakke werkwoord beden (< onl. bedon ‘vereren, aanbidden’ [10e eeuw; W.Ps.]), wrsch. als letterlijke vertaling van Latijn adōrāre ‘aanbidden’ (uit → ad- ‘aan’ en ōrāre ‘bidden’).
Ook de andere Germaanse talen kennen in de eerste plaats het zwakke werkwoord: mnd. anbeden ‘aanbidden’; ohd. anabetōn ‘waarzeggen’, anabetēn ‘aanbidden’ [begin 11e eeuw] (nhd. anbeten); ofri. onbidda ‘aanbidden’ (nfri. oanbidde).
Tegenwoordig ligt de klemtoon meestal op -bidden, zodat het nu een onscheidbaar werkwoord is, maar zowel uit de vorm aen te bidden als uit het zn. aangebedene blijkt dat het vroeger een scheidbaar werkwoord was.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aanbidden* [met geestdrift vereren] {aenbidden [iem. in gebede aanroepen, aanbidden] 1440} middelnederduits anbeden, oudhoogduits anabeton, vertaling van latijn adorare, van ad [tot, aan] + orare [spreken, bidden].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aanbidden ww., mnl. aenbidden ‘smekend, biddend aanroepen’. Daarnaast ook reeds in onze zin van ‘aanbidden’, vgl. mnd. anbêden, ohd. anabetôn, owfri. *onbidda (alleen praet. bæden on); dit is een vertaling van lat. adorare.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aanbidden ww. Het mnl. áenbidden was een scheidbaar samengesteld ww. (als aanroepen, aanspreken) en beteekende gew. “precari”. Met de bet. “adorare” kwam het zwakke aenbēden voor (zie bidden), evenals ohd. anabëtôn (nhd. anbeten), mnd. anbēden, owfri. *onbidda (praet. baeden oen) een vertaling van lat. adorare.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aanbidden (vert. van Latijn adorare)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aanbidden ‘met geestdrift vereren’ -> Negerhollands bed aan, bid an ‘met geestdrift vereren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aanbidden* met geestdrift vereren 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2658. De opgaande zon aanbidden,

d.w.z. de bovendrijvende partij eeren en vleien; iemand, wiens macht en aanzien stijgt, huldigen; eene uitdr. ontleend aan de gewoonte van vele volken van het Oosten om de opkomende zon te aanbidden. Vgl. De Brune, 166: Men ziet de zon meer bidden aen in 't opgaen, als in 't neder-gaenVgl. Wander IV, 612: plures adorant solem orientem quam occidentem; Sart. III, 3, 93: men hout het meer met de rijsende marckten dan met de afgaende; Mergh, 11: de Morghen-son wert meer aenghebeden dan d'avond-son.; verder Tuinman I, 17: de opgaande zon word aangebeden, en de ondergaande gevloekt; Halma, 457: De opgaande zon aanbidden, zijn hof maaken aan de geenen die in groot aanzien geraaken, faire sa cour à un homme qui commence à venir en crédit; Sewel, 5: De opgaande zon word aangebeden, the rising sun is worshipped; V. Janus, 11. Ook in het Friesch: de rizjende sinne wirdt oanbean, de sîgjende skout min, d.i. de rijzende zon aanbidt men, de ondergaande schuwt men. De uitdr. is in vele talen bekend; zie Wander IV, 611-612; Ndl. Wdb. XI, 694; fr. adorer le soleil levant; hd. die aufgehende Sonne hat mehr Anbeter als die untergehende; eng. to worship the rising sun.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut