Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aan - (voorzetsel, bijwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aan vz., bw., voorv.
Onl. ana- (in samenstellingen), an (vz.) ‘in, aan’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ane (met verlenging in open lettergreep) [ca. 1227-32; CG I, 9], aen [1254; CG I, 64].
Os. an(a); ohd. an(a) (nhd. an); ofri. on, an (nfri. oan); oe. on, an (ne. on); on. á; got. ana; < pgm. *ana.
Verwant met Latijn an- (voorv.); Grieks aná ‘omhoog; opnieuw, terug’ (zie → anachronisme); Avestisch ana; Oudiers an- (voorv.); bij de wortel pie. *h2en-. Met ander vocalisme: Sanskrit ánu ‘langs’; Avestisch anu; met nultrap: Oudkerkslavisch na ‘op, aan’; Oudpruisisch no, na ‘op, volgens’; Litouws nuõ; bij de wortel pie. *nō-.

EWN: aan vz., bw., voorv. (10e eeuw)
ANTEDATERING: an 'naar' (vz.) in: an wudu kiri þu 'keer je naar het woud' [ca. 800; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aan* [voorzetsel] {oudnederlands ana 801-900, middelnederlands aen} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries ana, oudengels on, oudnoors ā, gotisch ana; buiten het germ. latijn an-, grieks ana [op, naar boven], avestisch ana [over … heen, langs].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aan voorz. en bijw. mnl. ane, aen, waarnaast kortere vorm mnl. nnl. an, os. an, ana, onfrank. an (voorz.), ana- (prefix), ohd. ana, ofri. an, ana, oe. on, on. á, got. ana. — gr. ána ‘omhoog, langs’, lat. anhelo (< an + anslō) ‘moeilijk ademen’, av. ana ‘over . . heen’, misschien oiers an-dess ‘uit het Zuiden’, uit idg. vormen *an, anu, anô (IEW 39).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aan voorz. en bijw., mnl. āne, aen, waarnaast mnl. nnl. an, de gewone spreektaalvorm. = onfr. an (voorz.), ana- (prefix), ohd. ana (nhd. an), os. an, ana-, ofri. an, ana, ags. (eng.) on, on. â (*an), got. ana. Germ. *an en *ana “aan, in, op” zijn beide uit idg. *ana ontstaan, germ. *ana is de “inlaut”-vorm. = ier. an- (prefix), lat. an- (id., o. a. in anhêlo “ik hijg”), gr. anà, ána “langs iets naar boven”, av. ana “over—heen”. Vgl. nog obg. “in” en gr. ávō “naar boven”, obg. na “op”, lit. nů̃ “van”, anót(e) “overeenkomstig” oi. ánu “na, naar, overeenkomstig”, nédîyas-, av. nazdyah- ”nader”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aan. Het is niet zeker, dat een idg. *ana bestaan heeft, en daarom voorzichtiger, over de oorsprong van germ. *an naast *ana geen uitspraak te doen. Ier. an- is niet voldoende gewaarborgd. Zie over een en ander uitvoeriger WP. I, 58 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aan bijw. & voorz., uit *ane, Mnl. aen, ane, Onfra. & Os. ana- + Ohd. ana (Mhd. ane), Ofri. ana, Go. ana; daarnevens Nnl. spreektaal en dial. an, Mnl. an, Onfra. & Os. an + Nhd. an, Ags. on (Eng. on), Ofri. an, On. á (Zw. å, De. aa) + Skr. ana = op, Ze. ana = op, Gr. aná = op, naar boven, Lat. an- (in anhelare), Ier. an-, Osl. na = op, = in. Ane staat tot an als mede tot met; de langere vorm is die van het praef., de kortere die van het alleenstaande w. of van het laatste lid eener samenst.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

aon (bijw.) aan; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) aun, Aajdnederlands ana <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. aan bn. (niet verbuigbaar), geprikkeld. Alleen in de combinatie ‘aan* zijn’.
— : aan zijn (was aan, is aan geweest), 1. geprikkeld zijn i.h.a. Een wonder. Ik moest er alles van weten. Mijn onderzoekinstinkt was aan (Dobru 1969: 44). - 2. zin hebben, in de stemming zijn. Hé, zullen we een potje troef-call* spelen? vroeg vader plotseling, of wil je soms niet, Emile? - Wie ik? Ik ben kartamang [S, liefhebber van kaartspel], ik ben altijd ‘aan’ (R. Parabirsing in A&P 1980b: 5). Hij merkte dat Orlando gespannen luisterde en keek ook naar diens gulp. ‘Wil je, ben je aan’, had hij meteen gevraagd (Ferrier 1968: 134). - 3. geïrriteerd zijn, boos zijn. Hij is aan! (gezegd van een lichtgeraakt jongetje; mond.).

II. aan vz., (ook:) op, tegen (wanneer het gaat om een gewelddadige aanraking i.h.b. van het hoofd). Een brigadier raakte ernstig gewond door een klap aan het hoofd (Hira 203). Op 15 mei [1891] werd de koeliehoofdman Sookhaie door een landgenoot aan het hoofd gekapt* omdat hij aanmerkingen had gemaakt op diens werk (Hira 337). Het tweetal overviel vervolgens de heer des huizes en sloeg hem aan het hoofd tot bloedens toe (WS 19-1-1985).
— : aan het werk, op het werk Ik kreeg opeens een razende honger, terwijl ik net aan het werk nog geschaft* had (Rappa 1984: 140). - Etym.: AN ‘aan het werk’ = bezig te werken.
— : aan het werk gaan (ging, is gegaan), naar het werk gaan. - Etym.: AN ‘aan het werk gaan’ = met werken aanvangen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aan (de prijs/snelheid/temperatuur van) (Frans à)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aan ‘voorzetsel; bijwoord’ -> Deens an ‘bijwoord: aan, ook als boekhoudkundige term’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds om (om bord, om babord) ‘geeft in de scheepvaart locatie op schepen aan (aan boord, bakboord)’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands aan, an ‘bijwoord: niet uit’; Skepi-Nederlands an ‘voorzetsel’; Surinaams-Javaans an ‘bijwoord: niet uit’.

aan- ‘bijwoord en voorvoegsel waarmee samengestelde werkwoorden worden gevormd met de betekenis: op, in, naar, aan’ -> Deens an- ‘voorvoegsel waarmee werkwoorden worden gevormd met de betekenis: op, in, naar, aan’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors an- ‘voorvoegsel waarmee werkwoorden worden gevormd met de betekenis: op, in, naar, aan’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds an- ‘voorvoegsel waarmee werkwoorden worden gevormd met de betekenis: op, in, naar, aan’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aan* voorzetsel 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut