Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aamt - (zwelling van de uier)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aamt* [zwelling van de uier] {1882} waarschijnlijk hetzelfde woord als middelnederlands amete [mier] {1351} vgl. noors aame [larve], engels ant, engels dial. emmet [mier], hoogduits Ameise, verwant met emelt [muggenlarve]; ziekten werden nogal eens toegeschreven aan wormen e.d.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aamt znw. m. ‘zwelling van de uier’, vgl. fri. aem. Mogelijk is dat men de ziekte toeschreef aan wormen en dan samenhang met nnoorw. aame, ode. omme, nzw. dial. åma ‘made, larve’, vgl. verder emelte.

Men meent echter ook, dat on. āma eigenlijk de ziekte zelf betekent en dat on. āmusótt, ámumaðkr dus als grondwoord het woord voor de ziekte was; on. ámumaðkr was dan de larve of made, waarmee de ziekte behandeld werd (vgl. Sudhoff, Hoops Reallex. 3, 534), te vergelijken met de regenwormbehandeling (waarvoor zie Reichborn-Kjennerud in MM 1923, 30 en 88).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aamt (zwelling van den uier), nog niet bij Kil. Met jongere t = fri. aem “id.”. Men heeft aan verwantschap met on. ama “pijn doen” gedacht.

[Aanvullingen en Verbeteringen] aamt. Vgl. in de eerste plaats ags. ôman mv., on. âmu-sôtt v. “belroos”, de. dial. omme “aamt”. De combinatie met on. ama en verwanten (zie amper) is minder wsch. dan een grondbet. “worm, wormen” (vgl. dauwworm; het volksgeloof zag en ziet nog in wormen de oorzaak van ziekteverschijnselen) en identiteit met ouder-de. omme, zw. dial. åma, noorw. aame “made, larve, een soort rups”, die met mnd. amelte, emelte “mijt, larve” en misschien met ohd. âmeiʒa (nhd. ameise), mnd. âmē̆te, êmē̆te, mnl. âmē̆te v., Kil. emte (“Sax. Fris. Sicamb.”), ags. æ̂met(t)e v. (eng. emmet, ant) “mier” verwant zijn. — Het 1. lid van aambei hoort blijkens de oude vormen met an-, aen- hier niet bij.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aamt. Zie v.Wijk Aanv. en voeg bij: ndl. emelt(e) ‘larve (van langpootmug en meikever)’, ags. emel, ymel ‘rups’, mnd. ēmel ( = āmelte) ‘larve”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aamt v., met paragog. t van *aam + Fri. aem, Ags. óma, On. ámu = belroos (z. aambeien en jammer).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

aom, aamt zwelling v.d. uier (Noord-Drente, Groningen, Noord-Holland). = fri. aem = no. aame ‘larve’ ~ emelt (= mndd. emelte, amelte). Mogelijk schreef men de ziekte aan wormen toe.
NEW 2-3, Heeroma 1951, 287.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut