Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aamborstig - (kortademig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aamborstig bn. ‘kortademig’
Mnl. amborstich ‘astmatisch’ [1350-1400; MNHWS], anborstich [1477; Teuth.]; vnnl. amborstig [1567; Nomenclator], aamborstich ‘ademloos’ [1612; WNT]. De woordenboekvormen vnnl. engborstig [1567; Nomenclator] en enghbrostigh [1599; Kil.] staan wellicht onder invloed van het Duits.
Het tweede lid is → borst 1. Het eerste lid kan → aan zijn, maar gaat misschien ook terug op ang, eng ‘nauw’ (zie → eng), dus eigenlijk ‘eng van borst’. In beide gevallen met assimilatie van de nasaalkank aan de -b-.
Mnd. amborstich ‘aamborstig’ (van amborst ‘astma’); nfri. aamboarstich. Met -ng- ook oe. angbreost ‘kortademigheid, astma’ en nhd. engbrüstig ‘smal gebouwd; kortademig’.
Lit.: Philippa 1992b

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aamborstig* [kortademig] {amborstich 1351-1400} het eerste lid is ontstaan uit ang-, eng-, vgl. hoogduits engbrüstig, dus: met nauwe borst.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

aamborstig

Men is geneigd aamborstig te verklaren uit ademborstig, omdat aamborstige mensen kortademig zijn. Deze etymologie is echter onjuist, zoals blijkt uit oude geschriften. In Dodonaeus’ beroemde Cruyde-boeck dat omstreeks 1600 is geschreven, is de schrijfwijze òf: anborstich, òf: amborstich. De vorm met an- is de oudste, want de n kan voor de b wel tot m worden, maar niet omgekeerd de m tot n. Men vergelijke woorden als inboorling en onbepaald die meestal worden uitgesproken alsof de schrijfwijze was: imboorling en: ombepaald.

De oorspronkelijke vorm van aamborstig is echter niet anborstig, maar angborstig. Evenals in het woord aambei is dit woord ang verwant met eng. Iemand die aamborstig is, heeft dus een enge, benauwde borst.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aamborstig bnw. Daarnaast in de 17de eeuw ook an-, am-, aen-, engborstig. Het is ontstaan uit angborstig, vgl. enghbrostigh bij Kiliaen, betekent dus ‘eng van borst’. — mnd. amborstich, hd. engbrüstig, de. angbrystet, zw. trångbröstad, vgl. oe. angbreost.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aamborstig bnw. Deze vorm reeds in de 17e eeuw naast an-, am-, aen-, engborstig. Kil. kent amborstich (Holl.) en ademborstich, dat als een proeve van 16de-eeuwsche etymologie te beschouwen is, de Teuth. an-, am-borstich. Amborstig komt dial. nog voor, aam-zal wel aan invloed van aam uit adem zijn toe te schrijven. Het eerste lid is oorspr. aŋg- “eng” (zie eng en vgl. voor de klankontwikkeling gember), zoodat het woord letterlijk “engborstig” beteekent, vgl. hd. engbrüstig, en mnd. amborst “aamborstigheid”, amborstich, de. angbrystet “aamborstig”, ags. angbrêost, zw. bröstång “aamborstigheid”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aamborstig. Vgl. nog Kil. (en ouder-nnl.) engh-borstigh. — In pl. v. “zw. bröstång ‘aamborstigheid’” te lezen: “zw. trångbröstad ‘aamborstig’”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aamborstig bijv., het eerste lid vertoont als oudere vormen aem, am, an, aen, ang, eng; vergelijk Hgd. engbrüstig, De. angbrystet, Ags. angbréost. De bet. is dus engborstig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

aamborstig b.nw.
1. (verouderd) Kortasemig. 2. Sodanig slym op die bors hê dat jy aanhou hoes of keel skoonmaak.
In bet. 1 uit Ndl. aamborstig (1710), vroeër ook aamborstich (1612) en amborstich (al Mnl.). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Ndl. aamborstig is 'n afleiding met -ig van aamborst. Lg. is 'n sametrekking van ademborst, 'n samestelling van adem 'asem' en Mnl. borst, borste 'gebrek'. (Lg. bet. was vroeër gebruiklik, maar is tans in Ndl. buite dié samestelling verouderd.) Vanweë bygedagte aan borst as 'boesem' verander bet. in Ndl. eers later na 'benoude bors'. Dit hou dus nie oorspr. verband met Mnl. ange 'eng, beklemd' soos alg. aanvaar word nie.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Aamborstig, kortademig; vroeger met korten klinker, en m of n (bij Dodonaeus, Cruydtb.: amborstig, anborstig, naast engborstig); ontstaan uit angborstig, vgl. gember uit mlat. gingiber. De vorm engborstig is later op nieuw gevormd, in den meer beperkten zin van een nauwen borstkas hebbend. In Z.-Ned. zegt men nu ook kortborstig (De Cock, Volksgeneesk. 155).

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Aamborstig. Dit aam staat vermoedelijk voor aan en dit weer voor ang (door de volgende b verviel de g en werd de overgebleven n een m, daar een en ander het uitspreken vergemakkelijkt). ’t Woord, aldus opgevat, w.d.z. eng, benauwd van borst.
Anderen zien in het eerste lid een samentrekking van adem en in ’t tweede lid ’t oude woord borste, dat gebrek beteekende; zoo sprak men in ’t Mnl. bijv. van broodborste en in ’t Hgd. is met een letterverzetting (metathesis) Gebresten nog: gebrek. Vgl. ’t Mnl.: „Hem ghebersten (ontbreken) vele dinghe”. Dan zou ’t woord bet.: een gebrek aan den adem hebbende.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aamborstig ‘kortademig’ -> Fries aamboarstich ‘kortademig, astmatisch’; Noors andpusten ‘buiten adem (door inspanning); (fig.) hectisch, opgejaagd’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aamborstig* kortademig 1351-1400 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut