Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aambei - (zwelling in de anus)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aambei zn. ‘zwelling in de anus’
Mnl. aenbeye [1485; MNW]; vnnl. anbey [1660; WNT]; nnl. aambei [1832-53; WNT], met -m- door assimilatie van -n- vóór -b- ontstaan uit ouder aanbei.
Het tweede lid is wrsch. bei ‘bes’ (zie → bes, → aardbei), en dan te vergelijken met Engels berry in ambury, anbury ‘bloedige wrat op het lijf van een paard’ [16e eeuw], naar de gelijkenis van de aambei met een bes. De herkomst van het eerste lid is onduidelijk.
Het eerste lid wordt meestal verbonden met pgm. *ang- in os. angseta ‘zweer, puist’; ohd. ango ‘gezwel’, angweiz(zo) ‘puist, blaar’, angasezzo ‘zweer, puist’; oe. angseta, ongseta ‘zweer, puist’; ook ofri. ongneil ‘verzweerde nagel’ en oe. ongnægl ‘eksteroog’.
De wortel pgm. *ang- zou afkomstig kunnen zijn van pie. *h2engwh- ‘worm, made’ (IEW 43), waarbij ook Russisch úgor' ‘pukkel, mee-eter’, maar de betekenis past dan slecht. Een andere mogelijkheid is aansluiting bij de wortel pgm. *angu- ‘nauw’, zie → eng, maar ook dan is de betekenisontwikkeling onduidelijk: misschien ‘beklemde bes’ of tautologisch ‘puist-bes’?
Lit.: Philippa 1992b

EWN: aambei zn. 'zwelling in de anus'; de vorm aambei (1832-53)
ANTEDATERING: bloedende ofte verouwerde aambeij 'bloedende of lang aanwezige aambei' [1692; iWNT verouderd]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aambei* [besachtige opzwelling van de aderen] {aenbeye 1485} het eerste lid vermoedelijk van middelnederlands ange [eng, beklemd], waarbij door assimilatie aen tot aam werd, vgl. aamborstig, het tweede lid is bei (vgl. aardbei). Het is ook denkbaar dat het eerste lid van aamt [zwelling van de uier] komt.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

aambei

is een merkwaardig woord dat in de verwante talen nagenoeg onbekend is. Alleen in gewestelijke Engelse volkstaal komt een woord voor dat er mede vergeleken kan worden. Daar noemt men een bloedige wrat op het lijf van een paard anberry of anbury. Aan het Engelse woord berry beantwoordt het Duitse woord Beere en het Nederlandse bei, dat wij ook kennen in aardbei.

Het eerste lid van het woord luidde vroeger niet aam-, maar an-, dat weer ontstaan is uit ang-. Het Engels kent dan ook dialectisch angleberry en angbury. Dit woord ang is de stam van het werkwoord angen: nijpen, kwellen, pijn doen, dat weer verwant is met ons woord eng. Zo komen we tot de slotsom dat aambei eigenlijk betekent: pijnlijk besvormig gezwel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aambei znw. v. m. ‘opzwelling aan de anus’; de oudste vormen anbei, aenbei stammen eerst uit de 17de eeuw; de vorm aambei is dus door assimilatie ontstaan.

De etymologie is onzeker. Het 2de lid is natuurlijk bei ‘bes’ (zie ook: aardbei). Indien men het 1ste lid als ang mag lezen, dan zijn er twee verklaringen: 1. bij ohd. angweiz(z)o m. ‘puist, blaar’, angesezzo m. ‘bloedzweer’, os. angseta v., oe. ongseta m. ‘zweer, puist’, verder oe. ongnægl m. ‘eksteroog’, ofr. ongneil m. ‘verzweerde nagel’; dit wil men dan verbinden met gr. achōr ‘schurft’, russ. ugorʼ ‘puist’. — 2. Te verbinden met eng. — FW 2 wijst er op, dat het late optreden van dit woord en vooral de franse herkomst van het 2de lid bei niet gunstig zijn voor deze verklaringen. Maar woorden als deze hebben niet veel kans in de oudere (meest literaire) bronnen voor te komen. De aard van het gezwel pleit wel voor een verbinding van eng + bei.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aambei znw., sedert de 17de eeuw bekend. De oudste vormen zijn anbei, aenbei; hieruit ontstond ambei, aambei. Het tweede lid is bei “bes”, zie aardbei. Het eerste lid is onverklaard (aan??). In het Ohd. komt voor: angweiʒ(ʒo) m. “puist, blaar”, angesëʒʒo m. “bloedzweer”, evenzoo ook os. angsëta v., ags. ongsëta m. (ongsët m.?) “zweer, puist”, ongnægl m. “eksteroog” (eng. agnail), ofri. ongneil, -nîl m. “verzweerde nagel”. Met dit aŋg- (dat met gr. akhṓr “schurft”, russ. úgor’ “puist”, eventueel ook met obg. jędza “ziekte” e. a woorden kan samenhangen; minder wsch. is identiteit met eng) heeft men het eerste lid van aambei geïdentificeerd: dat zou alleen aannemelijk zijn als ʼt woord zeer oud was, maar dit is niet wsch. wegens het late voorkomen en het uit het Fr. ontleende tweede lid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aambeien v.meerv., Mnl. aenbeye; het tweede deel der samenstelling is bei = bes; het eerste behoort wellicht bij Ags. óma = belroos, On. ámu = id., ámi = smart, ama = zeer doen (z. aamt en jammer). Dan is aenbeye wellicht ontstaan onder invloed van den dubbelvorm aanbeeld, aambeeld.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

aambei s.nw. (gewoonlik in die mv. aambeie)
Sagte swelsels by die anus wat deur spatare veroorsaak word.
Uit Ndl. aambei (1642), vroeër ook ambei en anbei (al Mnl.). Ndl. aambei is 'n samestelling van aam 'pynlik' en bei 'bessie'. Volgens die WNT hou aam verband met Oudnederduits ama 'pynlik, seer wees' en ama, amu 'roosagtige velontsteking', vorme waaruit ook Ndl. aamt 'swelling van koei se uier' wsk. afkomstig is, en nie met Mnl. ange 'eng, beklemd' soos alg. aanvaar word nie.
Vgl. aarbei, moerbei.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

aambei: meest. mv., uitspr. dikw. met kort a; Ndl. (sedert l7e eeu) aambei (oudste vorme a(e)nbei), 1e lid v. ss. òf uit ang, “puisie, sweer”, of uit eng, “benoud, nou”, en 2e lid bei, “bessie”, soos in aarbei, uit Fr. baie uit Lat. baca, “bessie”.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

aambei. De jeugd uit het Zuid-Hollandse Rijnsburg gebruikt de verwensing krijg aambeien! De letterlijke betekenis van aambei ‘een uitgezette ader in het gebied van de anus’ duidt op ongemak. De emotionele betekenis van deze verwensing is ‘ik minacht je, maak dat je wegkomt’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aambei(en) ‘besvormige zwelling van de aderen aan de anus’ -> Indonesisch ambéien ‘besvormige zwelling van de aderen aan de anus’; Madoerees ambe ‘besvormige zwelling van de aderen aan de anus’; Menadonees ambèyen, ambèien ‘besvormige zwelling van de aderen aan de anus’; Papiaments ambei ‘besvormige zwelling van de aderen aan de anus’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aambei* besachtige opzwelling van de aderen 1485 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut