Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aambeeld - (ijzeren smeedblok)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aambeeld zn. ‘ijzeren smeedblok’
Mnl. anebilit ‘aambeeld’ [ca. 1300; Claes 1982, 180], aenbilt [ca. 1320; Claes 1982, 35], aenbelt, anevilt; vnnl. aembeld [1599; Kil.].
Wrsch. een leenvertaling van Latijn incūs, uit in ‘aan, in’ en cūdere ‘slaan’. Het eerste lid is dan → aan, met -m- door assimilatie van -n- vóór -b-; het tweede lid een volksetymologische vervorming (onder invloed van → beeld) van een wortel pgm. *bautan- ‘slaan, stoten’, zie → beat.
Mnd. anebot, anabolt; ohd. anafalz, anabolz, anabōz (nhd. Amboß); nfri. ambyld; oe. anfilte (ne. anvil). De vormen met -f- worden wel in verband gebracht met nzw. dial. filta ‘houwen, slaan’ (ook ozw. filte ‘handgemeen, strijd’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aambeeld* [blok waarop metalen bewerkt worden] {1657} nevenvorm van aanbeeld.

aanbeeld* [blok waarop metalen bewerkt worden] {aenbilt, (h)aenbelt ca. 1320} oudengels anfilte (engels anvil), oudhoogduits anevalz (hoogduits Amboss); het eerste deel is wel aan, het tweede wordt verbonden met vilt, van een stam met de betekenis ‘stampen’, vgl. hoogduits Amboss, nederlands botenaambeeld.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aanbeeld en aambeeld, znw. o., mnl. aenbilt, ānebelt, -bilt (de vorm nnl. -beeld kan beïnvloed zijn door het woord beeld), mnd. anebelte, anebolt, ambolt, oostfri., pomm. nde. ambolt. — Mogelijk is de verbinding met lit. béldžiu, bélsti ‘slaan, kloppen’, vgl. dan verder: bout.

Daarnaast staan mnl. anvilte, ānevilt, westf. ānefilt, oe. anfilte, anfilt, anfealt (ne. anvil), en ohd. anevalz, anafalz, dat FW 3 als grondvorm van nnl. aanbeeld beschouwen (dit zou de anl. b hebben gekregen onder invloed van mnd. ānebōt, waarvoor zie verder); het 2de lid van dit woord is te vergelijken met nzw. dial. filta ‘houwen, slaan’, vgl. lat. pellō (< *pelnō), oiers ad-ella (< *pel-nāt) ‘bezoekt’ van idg. wt. *pel ‘stoten, slaan’ (IEW 801); zie verder nog: vilt. — Eindelijk is er nog een derde vorm: mnd. anebōt, anbōt, ambōt, onfrank. anabōt, ohd. anabōz o. (nhd. ambosz), dat men verbinden kan met nnl. bôten, ohd. bōzzan, mnd. bōten, oe. bēatan, on. bauta ‘stoten, slaan’, waarvoor zie: bot 2. — Er is geen reden te denken aan een overname van lat. incūs bij incūdo ‘slaan, smeden’, vooral niet omdat de smeedkunst reeds vroeg door de Germanen beoefend werd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aanbeeld, aambeeld znw. o., aambeeld met assimilatie der n. Uit mnl. aenbelt, ānebelt, -bilt (t) o. (m.?) = mnd. ānebelte. -bolt, ambolt o. m. “aanbeeld”. De ee en d van het nnl. woord zijn aan invloed van beeld toe te schrijven. Veel diall. hebben nog de korte vocaal. Dit woord mag niet gescheiden worden van het dial. (o. a. limb.) mnl. anvilte, ānevilt, dat dial. nog voortleeft, = westf. ānefilt, ags. anfilte o., anfilt, anfealt v. (eng. anvil), ablautend met ohd. anevalz “aambeeld”. De ndd. ndl. b wellicht naar mnd. ānebôt, onfr. *anabôt. ʼt Eerste lid is aan, het tweede wordt met ohd. (nhd.) falzen “samenvoegen, plooien”, lat. pello “ik breng in beweging” (*peldo) gecombineerd, waarbij nog vilt gebracht wordt. Ook zijn nog vergeleken zw. dial. filta “houwen, slaan” en oi. paṇḍa-, -aka-, -ra-, -u- “eunuch”. Een dergl. formatie als aanbeeld is ohd. anabôʒ (nhd. amboss) m., mnd. ānebôt “aanbeeld”, van ohd. bôʒan = ags. bêatan, on. bauta “slaan, stooten''; vgl. bij bot II. Wellicht zijn mnl. anvilte enz. en ohd. anabôʒ beide naar lat. incûs, een afl. van in en cûdo “ik sla, smeed” gevormd. Zeer opvallend is dan echter het ontbreken van een germ. *feltanan of *faltanan met dezelfde bet. als *ƀautanan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aanbeeld n., Mnl. anebelt, anebilt, anebolt + Mnd. anebolt (Ndd. ambolt, waaruit De. ambolt); daarnevens Mnd. anebôt, Ohd. anabôʒ (Mhd. anebôʒ, Nhd. ambosz); daarnevens nog Mnl. anevilt, Ndd. anefilt, Ags. anfilt (Eng. anvil), Ohd. met ablaut anafalz. Alle zijn vertalingen van Lat. incūs, incūdis (van cūdere = slaan) en dus vormingen met drie Germ. ww. die slaan beteekenen, *beltan (z. bout), *bautan (z. bot 2) en * feltan, waarbij Os. fillian, Ohd. fillan, Ofri. filla, dial. Zw. filta = slaan, en verder Lat. pellere = stooten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

aambeeld s.nw.
1. Ysterblok met voetstuk waarop metale gesmee of bewerk word. 2. Beentjie in die middeloor in die vorm van 'n aambeeld (aambeeld 1).
Uit Ndl. aambeeld naas aanbeeld (Mnl. aembelt, ambelt naas aenbelt, aenbilt, aenvelt). Mnl. aenbelt, aenbilt is 'n samestelling van aen 'aanraking' en belt, bilt uit die ww. billen in die ou bet. 'slaan', terwyl Mnl. aenvelt 'n samestelling is van aen 'aanraking' en velt naas vilt uit die ww. vilten 'bewerking van los materiaal deur wrywing, druk, stoot, stamp'.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Aambyl snw. Word sporadies gehoor naas aambeeld. – Hierdie vorm is ook bekend in die Land van Waas (Joos 40) en in die Land van Aalst (De Bo, i.v. aanbild).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aanbeeld (altijd op hetzelfde -- hameren) (vert. van Latijn eandem incudem tundere)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Aanbeeld (soms, door den invloed der b, ook aambeeld). ’t Eerste lid is aan in den zin van aanraking; ’t tweede lid is niet duidelijk. Er bestond een Os. filian, Ohd. villan = slaan. Werkelijk is het woord aanbeeld in ’t Angs. anfilte en in ’t Mnl. ook aenbilt (of aenbeld); dit zou ook het Limb. anvilt verklaren. (De overgang van f in b komt nog meer voor.) De volksetymologie zag er het woord beeld in, vandaar aanbeeld. In ’t Hgd. is Amboss (aanbeeld) op dezelfde wijze gevormd, nl. van ’t Ohd. bozzan, dat ook slaan, stooten bet.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aambeeld ‘ijzeren smeedblok; middelste gehoorbeentje’ -> Deens ambolt ‘ijzeren smeedblok; middelste gehoorbeentje’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ambolt ‘ijzeren smeedblok; middelste gehoorbeentje’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ambult ‘ijzeren smeedblok’ (uit Nederlands of Nederduits); Creools-Portugees (Ceylon) ambal, ambeel ‘ijzeren smeedblok’; Papiaments ánbelt (ouder: aanbeeld) ‘ijzeren smeedblok’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aambeeld* blok waarop metalen bewerkt worden 1599 [Kil.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

8. Altijd op hetzelfde aanbeeld slaan (of hameren),

d.i. steeds op dezelfde zaak terugkomen, aandringen; vertaling van het lat. eandem incudem tundere (Cic. de Orat. 2, 39, 162). Vgl. fr. frapper toujours sur la même enclume; hd. immerzu auf einem Ambosz schmieden; fri. altyd op 't selde ambeld slaen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut