Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aalbes - (heester uit de steenbreekfamilie (Ribes rubrum))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

aalbes zn. ‘heester uit de steenbreekfamilie (Ribes rubrum)’
Vnnl. aelbesien (mv.) [1511; Herbarius i.D.].
Het tweede element is → bes. Het door FvW genoemde Oudhoogduitse alantbēre bestaat niet, ook niet in het Middelhoogduits. Daardoor wordt de verklaring uit een vulgair-Latijnse bijvorm *ala van *alant minder wrsch., al bestaat er een mnl. vorm alaen ‘alant(swortel)’ [ca. 1460; MNW]. Bovendien lijkt de smaak niet op die van de alant. De verklaring dat het woord behoort bij alu ‘bier’ (zie → aal 2) lijkt mogelijk, aangezien bessen vaak werden gebruikt voor de bereiding van gegiste dranken.
Mnd. albere ‘(zwarte) aalbes’.
Lit.: L. Grootaers (1924) ‘De namen van de roode aalbes “ribes rubrum” in Zuid-Nederland’, in: LB 16, 65-92; L. Grootaers (1925) ‘De namen van de roode aalbes in Zuid-Nederland (naschrift)’, in: LB 17, 36-43; E. Polomé (1993) ‘Dutch and the study of Proto-Germanic etymology’, in: Bremmer e.a. 1993, 57-62, hier 58

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aalbes* [vrucht] {aelbesie 1562} middelnederduits albere, waarschijnlijk gevormd van aal2 [bier] + bes, bezie; de bes was en is een grondstof voor sterkedrank.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aalbes znw. v. m., mnl. aelbesie, ook Kiliaen: acinus ribis, acinus ultramarinus, vgl. mnd. âlbêre v. zwarte aalbes.

Etymologie onzeker: 1. vgl. mnl. âle o. moutdrank, bier, vgl. os. alofat ‘biervat’, oe. ealu o. (ne. ale), on. ǫl o. ‘bier’; zie verder: alsem. Bessen werden oudtijds veelvuldig voor de bereiding van gegiste dranken gebruikt. — Verwantschap met alant is minder waarschijnlijk (zie aldaar). Van Haeringen, Suppl. 2 wijst er op, dat het woord aalbes in de streektalen teruggaat en soms ook nieuwe vormen vertoont, zoals Zuidholl. eelebees (waarin edel) en bij Dodonaeus adelbesiekens. Betreffende het voorkomen van de aalbes, die van ouds inheems is, zie W. de Vries Ts. 43, 1914, 143-145. — Taalkaart voor Zuid-Nederl. bij L. Grootaers LBijdr. 16, 1924, 65-92; hij sluit zich ibid. 17, 1925, 36-43 aan de etymologie van W. de Vries Ts. 30, 1911, 143 aan. Hand. Comm. Top. Dial. 11, 1937, 241-291 geeft Grootaers nog kaartjes op blz. 270 en 272 voor Zuid-Nederl.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aalbes, aalbezie znw. De laatste vorm reeds mnl. en bij Kil.: aelbesie “acinus ribis, acinus ultramarinus”. = mnd. albēre v. “zwarte aalbes”. In het Du. komt ook alantbeere v. “id.” voor, dat met alant is samengesteld (zie alant). Deze naamgeving berust op overeenkomst in smaak. Wellicht mogen wij in het eerste lid van aalbes een oude kortere benaming van deze plant zien; vgl. spa. port. vulgairlat. ala “alant” (reeds bij Isidorus als volksnaam van de plant). De samenstelling is in de latere M. E. ontstaan; vroeger kwamen in Europa geen aalbessen voor. Voor ʼt tweede lid vgl. bes.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aalbes, aalbezie. De mnd. vorm beter ālbēre v.
Waarschijnlijker is de oude verklaring, die in het eerste lid ziet mnl. āle o. ‘moutdrank, bier’, ags. ealu o. (eng. ale), on. ǫl o. ‘bier’, os. alo-fat ‘biervat”. Voor verwanten buiten het Germ. zie alsem, 2e helft. Allerlei bessen dienden bij de Germanen vanouds tot bereiding van dranken. Zw. vinbär, du. dial. weinbeere, eng. wine-berry (alle drie ospr. benamingen voor ‘(wijn-) druif”) ‘aalbes’ kunnen dit gebruik en de benaming van de aalbes toelichten. Vla. jeneverbes ‘aalbes’ zal echter eerder opgekomen zijn door het gebruik, bessen te trekken op jenever.
Het is moeilijk aan te nemen, dat deze vrucht, die in Middel- en Noord-Europa als inheems geldt, niet vóór de latere middeleeuwen aldaar voorkwam. Zij zal echter sedert de 14e eeuw voor het eerst als cultuurplant zijn gekweekt, eventueel met nieuwe variëteiten. Vgl. W.de Vries Tschr. 33, 143 vlgg.; Hoops Reall. I, 204.
Een overzicht van de verschillende dialectische woorden voor ‘aalbes’ in Zuid-Nederland bij Grootaers Leuv. Bijdr. 16, 65 vlgg. en 17, 36 vlgg. Men krijgt hieruit de indruk, dat het aalbesgebied gaandeweg inkrimpt, wat ten dele toe te schrijven zal zijn aan het geïsoleerd raken van het eerste lid. Dit laatste heeft ook volksetymologische combinatie met edel (Zuidholl. eelebees: de Vries a.p. 145; berust hierop flakkees ealəbeassə?) en adel (reeds Dodonaeus vermeldt adelbesiekens) ten gevolge gehad.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aalbes v., + Hgd. albeere, alantbeere, is voor velen een samenstelling met aal, daar men de bes veelal gebruikt om op drank te zetten of er drank van te maken; anderen, naar aanleiding van Nhd. alantbeere nevens albeere, zien in aal het Lat. ala, volksnaam van den alant (z.d.w.), omdat de aalbes den smaak van den alantwortel heeft.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

aalbes – kruisbes
Aalbes | Ribes rubrum L.
Kruisbes | Ribes uva-crispa L.

De Aalbes draagt eetbare rode bessen als vrucht, daarmee is al een deel van de naam verklaard, maar de verklaring van aal ligt niet voor de hand. Er wordt vermoed dat aal afgeleid is van alu, wat bier betekent, omdat aalbessen en andere bessen gebruikt kunnen worden voor de bereiding van een gegiste, alcoholische drank. Alu is verwant met de Engelse term ale, d.i. licht of sterk gehopt bier, en met pale-ale, licht Engels bier.

Maar er is ook nog een andere verklaring voor de naam Aalbes mogelijk. De naam Aalbes wordt als volksnaam ook gebruikt voor een verwante soort van Ribes rubrum, namelijk voor de Zwarte bes (Ribes nigrum L.). Voor die plant zou het woord aal, d.i. mestgier, werkelijk verwijzen naar de onaangename geur van de bessen van de Zwarte bes, wat niet het geval is voor de bessen van de Aalbes. Misschien is de naam Aalbes voor Ribes nigrum door overdracht gegaan naar de verwante soort Ribes rubrum.

De Kruisbes heette vroeger Kroesbesien en de “oe” heeft zich tot “ui” ontwikkeld. Kroes betekent gekruld, denk aan het haar van een kroezelkopje. Hier wordt met kruis verwezen naar de kroezelige haartjes die duidelijk zichtbaar op de bessen van de Kruisbes staan.

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Bes (aal), Ribes rubrum
Ribes: betekent dat de vrucht rood wordt.
Rubrum: de bloemen, bladeren, stengel of een ander onderdeel van de plant is of wordt rood van kleur.
Aalbes: volgens van Dale kun je bij het woord aal het beste denken aan het Engelse ale omdat aal hier staat voor drank die door de eeuwen heen van deze bessen gemaakt werd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aalbes ‘vrucht’ -> Duits dialect Albessem, Aolbes, Aolber, Aalbäre ‘vrucht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aalbes* vrucht 1500 [Claes Tw. 12]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

alu- (-d-, -t-) ‘bitter, Bier, Alaun’

Gr. ἀλύδ(ο)ιμον· πικρὸν παρὰ Σώφρονι Hes., ἀλυδμαίνειν· [πικραίνειν?] Hes. (s. aber zur Bed. Herwerden Lex. Graec. suppl. 45); lat. alūta ‘Alaunleder’ und alūmen ‘Alaun’ sind einfach Erweiterungen von *alu-.
Die Wurzel erscheint in Nordeuropa mit der Bedeutung ‘Bier, Met’ (zu der Bedeutungsdifferenz vergleiche ksl. kvasъ ‘Alaun, Bier’); an. ǫl n. ‘Bier, Trinkgelage’, ǫldr n. ‘Trinkgelage’ (*aluþra-), ags. ealu(đ) n. ‘Bier’, as. in alo-fat, mhd. in al-schaf ‘Trinkgefäß’; daraus entlehnt apr. alu n. ‘Met’, lit. alùs (m. geworden wie medùs = preuß. meddo n.; J. Schmidt Pluralbild. 180), ksl. olъ (m. geworden wie medъ) ‘Bier’. Aus dem Germ. ist auch finn. olut ‘Bier’ entlehnt.

WP. I 91, WH. I 34.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal