Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aak - (schip)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aak 1 zn. ‘soort schip’
Vnnl. aeke, aeck, aick ‘aak, vaartuig’ [1520; MNHWS]. Daarnaast vormen met n-, bijv. in varende met die eerste naek [1593; van der Meulen 1953b, 285], naecke [1599; Kil.], welke echter ouder moeten zijn geweest.
Door verkeerde woordscheiding van 'n nake (met onbepaald lidwoord) kon in de spreektaal ake ontstaan, zie ook → arrenslee.
Os. nako ‘schip’; ohd. nahho ‘(rivier)schip’ (nhd. Nachen ‘boot’); nfri. aak ‘open vissersboot’ [1707]; oe. naca ‘boot’; on. nökkvi ‘boot’; < pgm. *nakwa-.
Verdere verwantschappen onzeker. Misschien verwant met Latijn nāvis ‘schip’, dat teruggaat op pie. *neh2u- (waarbij ook Sanskrit náuḥ en Grieks naũs). Maar gezien de geïsoleerde positie van het woord in het Germaans moet men eerder met Polomé uitgaan van een substraatwoord.
Lit.: E. Polomé (1959) ‘Théorie laryngale et germanique’, in: Mélanges de linguistique et de philologie, Fernand Mossé in memoriam, Paris; Schrijver 1991, 130; E. Polomé (1988-90) ‘Are there Traces of Laryngeals in Germanic?’ in: A. Bammesberger (ed.) Die Laryngaltheorie und die Rekonstruktion des indogermanischen Laut- und Formensystems (= Indogermanische Bibliothek, Reihe 3, Untersuchungen) Heidelberg, 383-414

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aak1 [schip] {a(e)ke 1520, naast naecke 1593} oudsaksisch nako, oudhoogduits nahho, oudengels naca, oudnoors nǫkkvi < middeleeuws latijn naca < latijn navis [schip]; de begin n- viel weg o.i.v. het lidw., vgl. adder < nadder.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

arreslee

Men zegt gewoonlijk kortweg: ar, maar waar dat woord vandaan komt, weten verreweg de meeste mensen niet. Het heeft namelijk in de uitspraak zijn kop verloren. Oorspronkelijk luidde het: nar, in de bekende zin van: zot, dwaas. Zegt men nu ‘een nar’ dan wordt dat precies zo uitgesproken als wanneer men zegt: ‘een ar’. Een arreslee is dus eigenlijk een narrenslee en hij werd zo genoemd naar de pluimen op de kop van het paard en naar de rinkelbelletjes aan hoofdstel en leidsels.

Het komt vaker voor dat een woord op dezelfde wijze zijn beginletter verliest. Het Duitse woord Natter bewijst dat een adder vroeger nadder heette. Zo is aak: platboomde vissersschuit uit naak ontstaan en okkernoot uit nokkernoot, waarvan het eerste deel ook al noot betekent.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aak 1 znw. m. v. ‘vaartuig’, mnl. ake, achche m., vgl. fri. aek soort vissersschuit’, ofri. âk(e) ‘boot met platte bodem’, en nhd. dial. achen. Bij Kiliaen staan naast elkaar aecke en naecke. — De laatste vorm is de oorspronkelijke, vgl. ohd. nahho (nhd. nachen), os. nako, oe. naca, on. nǫkkvi m. ‘boot, schip’. — Germ. *naku̯a beantwoordt aan oi. naga ‘boom, berg’, verder lit. nõglas, nõklas ‘greep van een zwaard’, nogna ‘handvat van het zwaard’ (zie IEW 770). — > fra. aque (sedert 18e eeuw), (vgl. Valkhoff 47).

Andere etymologieën: Oorspr. betekenis ‘gespleten (boomstam)’, vgl. lat. novacula ‘scheermes’. — Inderdaad is de vergelijking met oi. naga niet zeker, vlg. Mayrhofer, AindEW 2, 125b.

aak 1 [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie E. Polomé, RBPhH 44, 106 [1966].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aak I (vaartuig), mnl. āke, achche m. Kil. kent de vormen aecke, naecke. De vorm zonder n ook in fri. aek “soort visschersschuit”, oostfri. âk(e) “boot met platten bodem”, nhd. dial. achen. De n-vorm is de oudste (vgl. adder, avegaar). Waarschijnlijk is het woord uit een duitsch (ndd.; of oostndl.-rijnsch) dialect door schippers geïmporteerd. = ohd. nahho (nhd. nachen), os. nako, ags. naca, on. nǫkkvi m. “boot, schip”: de k uit oergerm. q is in eenige casus, o. a. waar de verbinding -qn- voorkwam, klankwettig ontstaan. Wellicht ospr. “hout” of “boomstam”. Vgl. dan oi. naga- “boom, berg”, misschien ook gr. ábax “bord, plank, tafel” (nog?), lit. nõglas, nõklas “greep van den degen”, nogna “handvat van het zwaard”. Ook is voor aak een grondbet. “gespleten” aangenomen (vgl. boot), onder vergelijking van lat. novâcula “scheermes”, opr. nagis, lit. tìtnagas “vuursteen”. Dit zou aannemelijker zijn, als een verbum voor “splijten” van de basis nog- ergens voorkwam. De combinatie met opr. nognan “leder” is zeer onwsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aak I (vaartuig). Een n-loze vorm ook in mnd. (zeldzaam) āke m.
Als verwant buiten het Germ. komt van de in het art. genoemde woorden alleen oi. naga-‘boom, berg’ in aanmerking.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aak 1 v. (vaartuig), Mnl. ake + Fri. aek, dial. Hgd. achen: alle met aphaerese uit naak: z.d.w..

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aak ‘platboomd binnenvaartuig’ -> Duits Aak, Aake ‘vrachtpraam met platte bodem’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors aak ‘vrachtpraam met platte bodem’; Frans † aque ‘platbodem die rijnwijnen naar Holland vervoert’; Tsjechisch aak ‘vrachtpraam’; Sloveens aak ‘zeilschip voor vervoer van wijnen’; Russisch † aak ‘platboomd vaartuig voor het vervoer van wijnen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aak* schip 1520 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut