Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aaien - (strelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aaien ww. ‘strelen’
Vnnl. haeyen ‘warmhouden, verzorgen’ [1599; Kil.]; nnl. aaijen [1717b; Halma].
Herkomst onduidelijk. Meestal verklaard als een afleiding van ai, alsof aai gezegd wordt bij het strelen en liefkozen. Aangezien ai een uitroep van pijn is, past dit semantisch niet. Veeleer is het een afleiding van het liefkozende, gerekte aa, met een overgangsklank /j/ (zoals in → kraaien). Dit vindt steun in West-Vlaams aatje, ake ‘aaitje’.
Het woord komt alleen in het Nederlands en Fries voor.
aaibaarheidsfactor zn. ‘mate van streeluitlokking’. Nnl. aaibaarheidsfactor [1969; Kousbroek]. Neologisme, bedacht door Rudy Kousbroek.
Lit.: R. Kousbroek (1969) De aaibaarheidsfactor, Amsterdam

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aaien* [strelen] {1717} mogelijk ontstaan uit het tussenwerpsel aai, aai-poes, middelnederlands aey [ai, ach].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aaien ww. komt alleen in nnl. voor. Vgl. fri. aeije (met de hand over de wang). Men kan denken aan een fries-hollands woord, dat in andere dialecten is doorgedrongen, maar de oorsprong daarvan is duister. WNT 1, 15 denkt aan afleiding van tussenwerpsel aai.

aaien [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: volgens J. L. Pauwels, LBijdr 52, 100 [1963], ontstaan uit de interjectie ā met een hiaatvullende j. Onwaarschijnlijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aaien ww., alleen nndl. Wordt als een dialectische vorm van Kil. haeyen “fovere, colere” beschouwd. Maar dan zouden wij veeleer verwachten, dat deze bet. later voorkwam dan “aaien, streelen”. Het mnl. hayen heeft heel andere bett.: “begeeren, verduren”. Misschien is aaien, fri. aeije “aaien (met de hand of met de wang)” een oorspr. fri.-holl. woord, dat in het beschaafde Ndl. en eenige niet-fri. diall. gedrongen is. Maar ook bij deze hypothese blijft de etymologie duister.

[Aanvullingen en Verbeteringen] aaien. Wellicht van de bij ’t aaien uitgesproken interj. aai.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aaien. Ook hd. aien, eien.
De oude verklaring (v.Wijk Aanv.), dat het ww. gevormd is naar de bij het aaien uitgesproken interjectie aai, ligt het meest voor de hand. Poging tot combinatie met Kil. haeyen ‘fovere, colere’ of tot afleiding uit het Fri.-Holl. wordt dan overbodig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aaien o.w., + Fri. aeije: wel van het tuss. a dat men bij ’t streelen spreekt; vgl. Wvl. aatje doen. Dan zijn Mnl. hayen en Kil. haeyen andere ww.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aaien* strelen 1717 [Claes Tw. 9]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut