Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aagje - (nieuwsgierig persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aagje zn. ‘nieuwsgierig persoon’
Nnl. aagje [1654; WNT Supp.].
Genoemd naar Nieuwsgierig Aagje (als verkleinwoord van Agatha), voorheen meestal met de toevoeging van Enkhuizen, een personage dat voor het eerst voorkomt in het kluchtboek De Gaven van de milde St. Marten uit 1654 (Stoett 1953 geeft abusievelijk 1645).
Het Kluchtigh Avontuurtje van 't Nieuwsgierigh Aeghje van Enckhuijsen werd in 1655 overgenomen als bijvoegsel in de populaire bundel Het Leven en Bedryf van Clement Marot. Uit het Fransch in het Nederduyts vertaalt door Jan Soet. Het thema is afkomstig uit Trijntje Cornelis (1653) van Huygens. Het Engels kent als vergelijkbare uitdrukkingen Miss Paulina Pry en Paul Pry.
Lit.: A. Barnouw (1901) ‘'t Nieuwsgierig Aagje van Enkhuizen’, in: TNTL 20, 291-301; Reinsma 1998

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Aagje* in de uitdrukking nieuwsgierig Aagje, al dan niet met toevoeging van Enkhuizen {1688} voor het eerst gevonden in het kluchtboek De Gaven van de milde St. Marten (1645). In het Kluchtigh Avontuurtje van 't Nieuwsgierigh Aeghje van Enckhuysen wordt verhaald van Aagje die met haar buurman, een schipper, meevoer naar Antwerpen en daar in moeilijkheden kwam; de naam Aagje is een verkleiningsvorm van Aagt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

agie s.nw.
Nuuskierige persoon of snipperige, voorbarige kind.
Uit Ndl. Aagje, 'n vroulike eienaam wat die verkleinw. is van Aagt (waarvan die t nie uitgespreek word nie), wat weer 'n verkorting is van Agatha.
In Ndl. ontleen aan A. van Bogaert se klugspel Kluchtigh Avontuurtje van 't Nieuwsgierigh Aeghje van Enckhuysen (Amsterdam, 1679), waarin Aeghje, 'n skippersvrou van Enkhuizen, uit nuuskierigheid saam met haar buurman na Antwerpen gaan en daar in die moeilikheid beland.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

agie: “nuuskierige pers.”, gew. in uitdr. nuusk. – , soms met byvoeging v. – van Inkhuise, soortn. uit eien. Aagje, n.a.v. Jan Soet se 17e-eeuse klugtige verh. v. ’t Nieuwsgierigh Aeghje v. Enckhuysen waarvan Bormeester ’n klugspel gemaak het.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1993), Eponiemenwoordenboek: Woorden die teruggaan op historische personen, Amsterdam

Aagje, nieuwsgierig, schertsende benaming voor een nieuwsgierige vrouw of man
In 1864 ging het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) er nog van uit dat alleen een vrouw kon worden uitgemaakt voor nieuwsgierig Aagje. Tegenwoordig echter zal geen man zich in zijn mannelijkheid aangetast voelen als hij met deze zegswijze wordt bejegend.
De zegswijze nieuwsgierig Aagje, voorheen meestal met de toevoeging ‘van Enkhuizen’, is afgeleid van een personage dat voor het eerst voorkomt in het kluchtboek De Gaven van de milde St. Marten uit 1654. De uitdrukking werd populair doordat het Kluchtigh Avontuurtje van ’t Nieuwsgierigh Aeghje van Enck-huysen in 1655 als bijvoegsel werd overgenomen in ’t Leven en Bedrijf van Clement Marot - een kluchtboek dat vele malen werd herdrukt.
Volgens de klucht was Aagje een jonge vrouw uit Enkhuizen die met een smid was getrouwd. Bij haar in de buurt woonde een schipper die soms op Antwerpen voer. Aagje ‘lelde de Smit soo langh aen ’t hooft’, aldus de oorspronkelijke tekst, tot hij haar toestond met de schipper mee te varen. In Antwerpen wordt Aagje door een Spaanse Brabander aangesproken met ‘nichteken’ - daar een gebruikelijke term voor prostituee. Maar Aagje weet dit niet; zij ziet de ‘signor’ aan voor een neef en belandt uiteindelijk met hem in het ‘slimste hoer-huys’. Daar wordt zij dronken gevoerd en honderd gulden lichter gemaakt. ‘Dit is het thema van Huygens’ Trijntje Cornelis,’ aldus Stoett (1981), ‘dat echter reeds in 1653 geschreven is, terwijl hij er al in 1650 op zinspeelt; mogelijk bestond de uitdrukking dus reeds eerder.’ In 1842 dichtte J. Nolet de Brauwere van Steeland:
Als eenmael Gods alwijze magt [...]
Eva uit een Ribbe schiep;
Van toen af aan kroop bij de vrouw
’t Nieuwsgierig Aegje al in de mouw.
Het Engels kent als vergelijkbare uitdrukkingen: Miss Paulina Pry en Paul Pry. Zoals bekend betekent to pry ‘ergens je neus insteken’.
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

4. Nieuwsgierig Aagje.

Deze zegswijze, zonder of met het bijvoegsel van Enkhuizen, is ontleend aan ‘T Leven en Bedrijf van Clement Marot. Uit het Fransch in het Nederduyts vertaalt Door Jan Soet’. Aan het einde volgt een ‘Bijvoeghsel, Bestaende in verscheyde Quinckslagen en aerdige Poetsen, op de voorgaende Materie dienende’ en daaronder komt in een uitgave van 1655 voor ‘het kluchtigh Avontuurtje van 't Nieuwgierigh Aeghje van Enckhuysen’Zie Tijdschrift XX, bl. 291-301 en Noord en Zuid XXVII, 283-288., waarin het wedervaren wordt geschetst van eene vrouw uit Enkhuizen, die uit nieuwsgierigheid met haar buurman, een schipper, naar Antwerpen ging en daar in deerlijke ongelegenheid geraakte. Vgl. Gew. Weuw. III, 57: Wat schepzel staat daar! ey, komt vry wat nader, Nieuwsgierig Aagjen van Enkhuizen; en Comique en vermaaklijke Boerenreis, 1804, bl. 29: 't Zal u even eens vergaan, als nieuwsgierig Aagje van Enkhuizen, daar ik van in den Almanak geleezen hebbe. Thans zegt men in Friesland nog wel: sa nijsgjirrich as Aechje fen Inkhuzen; in Groningen echter zonder dit toevoegsel: een neisgierig Oagtje; oostfri. nêsgirige âgtje (Molema, 545 a); Waasch Idiot. 157: crieuze Beth. Vergelijk hiermede andere uitdrr. als: een stijve Piet (ontleend aan een klucht van W.D. Hooft); een vroolijk Fransje (zie ald.); een Jan Splinters testamentUit de klucht: het Testament van Jan Splinter, een waerachtighe historie, enz. o.a. reeds uitgegeven door den verzamelaar der Veelderhande Geneuchlijcke Dichten, anno 1600 (ed. Letterk., bl. 199); zie Tijdschrift XVIII, bl. 210-215, waar bewezen wordt, dat dit verhaal reeds in het begin der 16e eeuw bekend geweest is., die eveneens aan oude tooneelstukken of verhalen ontleend zijn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut