Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tapuit - (zangvogel)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Oostelijke Blonde Tapuit Oenanthe melanoleuca (Güldenstädt: Muscicapa) 1775. Voormalige ondersoort van de Blonde Tapuit ↑, die broedt in o.a. de Balkan. Zie ook Westelijke Blonde Tapuit.

Westelijke Blonde Tapuit Oenanthe hispanica (Linnaeus: Motacilla) 1758. Vóór 1998 als subspecies beschouwde vorm van de Blonde Tapuit ↑; hij broedt o.a. in Spanje (vandaar hispanica).

Blonde Tapuit Oenanthe hispanica (Linnaeus: Motacilla) 1758. Zelden naar de Lage Landen afdwalende soort van tapuit, die wel iets op de bij ons inheemse Tapuit lijkt, maar op de bovendelen blond (= oranje) van kleur is. De Blonde Tapuit wordt sinds Sangster et al. 1998 opgesplitst in de Oostelijke Blonde Tapuit Oenanthe melanoleuca ↑ en de Westelijke Blonde Tapuit ↑.
Een andere soort is de Izabeltapuit ↑, die iets fletser is dan de Blonde Tapuit. Vgl. sub Blonde Ruiter en Izabelklauwier voor de synoniemen blond en izabelkleurig.
De Blonde Tapuit broedt in de landen rondom de Middellandse Zee en wordt daarom D Mittelmeer-Steinschmätzer en deens/noors Middelhavs-stenpikker resp. -steinskvett genoemd. De wetenschappelijke naam verwijst naar Spanje (voor etymologie zie sub Spaanse Bokvink). Sp Collalba rubia (Sp rubio ‘(hoog)blond’; cola ‘staart’ en Collalba ‘Witstaart’ ↑).
It Monachella is letterlijk ‘nonnetje’ (verkleinvorm van It mònaca ‘non’, de vrouwelijke vorm van It mònaco ‘monnik’; vgl. sub Monniksgier).
Houttuyn 1763 (p.577) gaf aan deze soort de N naam Spaansche Zwartstaart (naar Kleins naam Nigricilla), welke echter, wat het zwart betreft, weinig gelukkig is. Schlegel 1858 voert hem op als N soort onder de naam Blonde tapuit, Saxicola stapazina Temm.: “... schijnt ... in onze duinen te broeden, vermits er in den zomer voorwerpen werden geschoten, zoowel in de kattendoornen bij Haarlem als in de pannetjes bij Wassenaar.” [Het broeden is niet geheel uit te sluiten, maar alleen de aanwezigheid van de soort bij ons in de broedtijd is nog niet voldoende bewijs]. Buekers c.1910 noemt de naam “blonde tapuit” terloops (p.263).

Bonte Tapuit Oenanthe pleschanka (Lepechin: Motacilla) 1771(/1770). Synoniem: Oenanthe leucomela. Bij ons zeldzaam verschijnende tapuit die zijn broedgebied in Rusland heeft, (o.a.) ten noorden van de Zwarte en Kaspische Zee. De eerste wn. voor de Lage Landen was een exemplaar op 28 mei 1988 op Schiermonnikoog (Fr), ontdekt door Tom van der Have.
De wetenschappelijke soortnaam komt uit het R (R Plesjanka ‘Bonte Tapuit’, maar letterlijk kaalhoofdig ?plésen ‘schimmel’) en is gegeven door een russische natuuronderzoeker en reiziger, Ivan Ivanovitsj Lepechin (1737-1802). Pools Białorzytka łysak (pools łys(ek) ‘kaal hoofd’; vgl. pools Łyska = ‘Meerkoet’, vgl. E volksnaam Bald-headed Coot, wegens het kale witte voorhoofdsschild). Het ♂ heeft weliswaar geen kale, maar wel een witte schedel en nek, terwijl de rest van de kop en de keel zwart zijn. De vleugels zijn zwart, borst en buik zijn wittig (met geelzweem) en de staart is zwart met wit. Het is dus een nogal bonte vogel. Voor de ♀♀ en voor jonge vogels geldt dit in veel mindere mate. E Pied Wheatear en F Traquet pie geven ook het bonte aspect weer. Zowel E pied als F pie zijn afgeleid van de vogelnaam voor de Ekster, die immers ook het toonbeeld van een bonte (= zwart-witte) vogel is: E Magpie Pie (c.1250) Pie (1175) pica (huidige wetenschappelijke naam voor de Ekster) picus (= (Bonte) Specht!).

Tapuit Oenanthe oenanthe (Linnaeus: Motacilla) 1758. Vrij bekende broedvogel van zanderige weinig begroeide terreinen in de Lage Landen, met een witte stuit en staartbasis. De vogel heeft ettelijke volksnamen (bijv. Wientapper ↑) en ook de naam Tapuit kwam ws. uit het volk voort. Vroeg 1764 en Wegman 1765 gebruiken de naam Tapuit voor de soort die we er nu ook onder verstaan; de naam komt zelfs met verschillende adjectieven voor: “Blaauwe Tapuit” en “Graauwe Tapuit” (mogelijk voor ♂ resp. ♀ van de Tapuit). Sijs 2001 geeft een veel te laat jaartal (1860) als vroegste vindplaats op.
Houttuyn 17631 spreekt alleen van de naam Witstaart voor deze soort, maar NV 1789 geeft “Wyntapper, Tapuit, Stag, Witstaart” op. Schlegel 1852 vermeldt de naam TAPUIT (vet).
Voor wat betekenis en etymologie betreft verwijzen zowel vDE 1993 als Blok 1988 naar een ww., maar in beide gevallen ontbreekt het sluitende stukje uitleg. vDE vermoedt dat het herhaaldelijk “bukken” van de vogel een associatie met ‘tappen’ heeft opgeroepen. Er staat niet bij, wat met ‘tappen’ bedoeld wordt; indien ‘(wijn of bier) tappen’, dan is de relatie met het bukken toch wel erg gezocht. Blok verwijst naar een mnd ww. tâpen, dat ‘kloppen, plukken, tasten’ betekent. Hoe deze met Tapuit in verband gebracht moeten worden, staat er niet bij.
Nu valt bij de betekenis van het ww. kloppen een verbinding te maken naar de volksnamen Steenbikker en Steentikker ↑, welke namen de roep van de vogel illustreren, nl. het geluid van iemand die op een steen klopt of tikt; F taper = ‘aanslaan van een toets van de piano (o.a.)’; het ww. is ws. aan mnl tappen (1284) (tap ‘afsluiter (van een biervat)’ ontleend. In de noorse volksnaam Steindappen (er is ook: Steindulp ‘Tapuit’) komt de klank van de naam in de buurt van de N volksnaam Wijntapper; de betekenis (kloppen op een steen) is gelijk aan die van N Steenbikker. Mogelijk hebben klank (wijn rijmt met Stein) en betekenis (tappen) elkaar wederzijds beïnvloed, en is later, uit nood ter verklaring, een beeld van een ‘zich bukkende’ vogel aan de Wijntapper toegevoegd. Een aannemelijker theorie echter voor de herkomst van Wijntapper staat verwoord sub Wientapper ↑.
Het element ‘tap’ heeft dus mogelijk een primair onomatopoëtisch karakter, net als Tapier en Fitop, andere volksnamen, en misschien ook Stag ↑. Vreemd is in dat geval, dat de klemtoon in het woord Ta’puit op de tweede lettergreep valt. ‘Tap’ heeft de algemene betekenis van ‘cilinder, afgeknotte kegel’, als onderdeel van een groter geheel (een werktuig bijv.); in de VK ook ‘penis’. Het kan niet uitgesloten geacht worden dat Tapuit (secundair) een hiermee in verband staande schertsnaam is. Het achtervoegsel -uit is dan misschien naar analogie van flap-uit gevormd. Bij deze uitleg zou ook de alternatieve naam Stag, Stagger goed kunnen passen.
Als de naam Tapuit er oud genoeg voor is1, moet er, klankwettig gezien, *Tapuut aan voorafgegaan zijn. Een woord met die klank is overgeleverd in het deens: Taputen, Tapyten in Syv c.1700. Deze vogel wordt vergeleken met (vermoedelijk!) de Tureluur, maar is kleiner en heet doof te zijn (vgl. sub Doverik), reden waarom hij het gezelschap van de Kieviet opzoekt [Schiøler 1925]. In een voetnoot wordt (in 1909 door Dahl) verwezen naar de hollandse vogelnaam Tapuit, maar het vermoeden wordt geuit dat Syv met de deense Tapyt + -en van het zgn. slut-artikel (zie Verantwoording: Termen) Bosruiter, Oeverloper of Bokje heeft bedoeld. Deze soorten hebben het staartwippen met de Tapuit gemeen, maar maken geen geluid dat als “tap” klinkt. Qua vorm zijn deze soorten enigszins gedrongen (zie hierna), vooral het Bokje.
MH 1932 noemt mnl tepuut = ‘gezwollen’ [Wilms]; dit zou misschien op de Tapuit van toepassing kunnen zijn, want de Tapuit is een beetje een ‘dikkertje’. In dat geval heeft mogelijk het fenomeen van vortoniges a (zie Verantwoording: Termen) gespeeld. De gedachte aan een voorwerp tap of de kennis van een reeds bestaande klank tap (bijv. in de vogelnaam Wientapper) kan ook de aanzet tot de klankvervorming geweest zijn.

==

1 Hoewel het over de mogelijke ouderdom van de naam Tapuit niet alles zegt, is het opmerkelijk dat Houttuyn 1763 de naam niet noemt: kennelijk was de naam niet algemeen in het N bekend. Dit laatste blijkt ook uit een in 1803 verschenen vertaling (uit het F) van Sonnini, luidende ‘Reize door Griekenland en Turkijë’, waarin de F naam Traquet in de N tekst onvertaald blijft staan. Volgens Schlegel 1828, waarin de N tekst in een voetnoot op p.214 staat, is er hierbij sprake van Saxicola oenanthe.

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

TAPUITOenanthe oenanthe
Duits Steinschmätzer
Engels Wheatear
Frans Traquet motteux
Fries Heidehipper
Betekenis wetenschappelijke naam: Oinanthe is de Griekse naam voor zowel de druif als de daarnaar genoemde Tapuit, wiens borst en keel n.l. een isabelkleurige waas hebben, zoals bij een rijpe druif. De herkomst van ‘Tapuit’ staat niet helemaal vast. Meestal wordt uitgegaan van samenhang met het Middelnederduitse tâpen, dat kloppen of ‘slaan dat het kletst’ betekent. Gedoeld wordt op het afgebeten, smakkende vogelgeluid, dat eveneens is verwoord in de namen Tikker (Kem), Fikker (fikken = slaan) en Kekje (Sco). Indien Kekje van kekkeren is afgeleid, kan de naam ook ‘stotteraar’ betekenen. Voegen we het voorafgaande gedrag bij dat van de vogel om in zijn steenachtige gebieden van steen naar steen te vliegen en daarop knikkende bewegingen te maken, dan worden de volgende volksnamen verklaarbaar: Steenbikker, Steentikker (Kem) – vergelijk Duitse naam –, Waltakker (Ach, Ov), Holsmakker (broedt in holten zoals konijneholen), Steenslijper, Steensluiper, want hij loopt snel over de stenen, Steenvogel en Stienfûgeltsje (Fr). Bij de volksnaam Tapier vragen wij ons af of hier verband bestaat met het Franse werkwoord se tapir = wegkruipen, in elkaar duiken. Een verklaring voor de naam Walduker (Gd) zou zijn dat het gaat om het wegduiken van de vogel met de jongen in het nest wanneer grasmaaiers in de berm hun werk doen en de zeis over de vogels heen gaat. ‘Wal’ duidt op een aarden wal waarop de vogel graag verblijft. Wanneer wij n.l. de streeknamen Duinduiker(tje) en Woalkipper (Wie) – vgl. kantelen – erbij betrekken, kan ‘duiker’ de aanduiding zijn van de knikkende of buigende bewegingen van de vogel tijdens de balts. Bij het buigen gaat de staart omhoog en is de witte stuit goed zichtbaar. Vandaar z’n namen Witgatje (Wou) en Witstaart. De Engelse naam heeft dezelfde achtergrond want die is een gekuiste versie van het vroegere White Arse. Ook Stag (Haa, Kat), Stoag (Tex), Stoachie (Tex) – zie eveneens bij Paapje – en Duinstag(ger) (Kat) berusten op het baltsgedrag. Ze betekenen zoveel als ‘strak gespannen staan’, o.i. zoveel als ‘steigeraar’ en doelen op de dans die het mannetje voor het vrouwtje uitvoert. Geen eensluidende achtergrond vonden wij voor Wijntapper, Wientapper (Twe, Ut), Wientepper (Lb, NB), Wiêntêmper (Wee), Wendtapper (Kem), Wingtèpper (ONB) en Weinddepper (ONB). Zie omtrent Weinddepper bij de Roodborsttapuit. Het element Wijn of Wien enz, is ontleend aan het Oudhoogduitse winne d.i. gras- of weiland, zijnde het territorium van tapuitsoorten. Zie ook bij het Paapje: Grastapuit. Meestal wordt deze groep namen in verband gebracht met de bukkende bewegingen van de vogel, zoals iemand die maakt bij het wijn tappen uit het vat. Dit misschien onder invloed van de betekenis van Oenanthe. Maar vergelijking met het Noordfriese woord wintapper voert ons naar een overlaat in een wijnvat: bij het gistingsproces ontsnapt koolzuurgas door het z.g. waterslot, hetgeen een borrelend geluid veroorzaakt en hiermee zou het smakkende geluid van de Tapuit zijn vergeleken. Tenslotte zou ‘tapper’ ook een woordspeling kunnen zijn op de naam Tapuit. De naam Vitop of Fitop (Fr, Gr) lijkt een variant van wijntap(per). Misschien is ook de Engelse volksnaam Whinchat bij e.e.a. betrokken. Kwid (Ame), Kwyts (Sch), Kwijts en Kwikkert (Fr, Ter) zijn misschien namen die de vogel als ‘kwiek’ typeren. De Tapuit wordt vaak aangetroffen op zandgronden en heidevelden, zoals blijkt uit de Friese naam en uit Heidehupper (Gd), Heischopper (Wou), Zandleuper (Lb) en Zandderberke (Kem), waarmee gezegd wordt dat hij bedrijvig heen en weer rent. Uit Vealdeakster (Twe) blijkt dat de Tapuit vooral als grondvogel van open terrein wordt gezien en dat zijn geluid op dat van de Ekster lijkt. Keep (Vli) is een naam die kan zijn ontstaan door vergelijking van de kleuren van Keep en Tapuit. In Blokteef (Wag), Blokvink (Ut) en Duinkluit (Lb) gaat het om z’n stevige postuur. Zo ook in Dikschieter(l) (Dr, Gr) en Dikskiter (Fr), welke stammen uit de tijd dat de soort in turfhopen nestelde en die dan erg bevuilde. In Vlaanderen kent men de vogel als Kotsjakker. Een ondersoort is de Groenlandse Tapuit – O. o. leucorhoa (= witstuitige), die door ons land trekt en die ook Langvleugel-tapuit, IJslandse Tapuit en Noordelijke Tapuit is genoemd.

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tapuit* [zangvogel] {1860} vermoedelijk zo genoemd vanwege het herhaaldelijk bukken zonder aanwijsbare reden, dat dan een associatie met tappen heeft opgeroepen. De Spanjaarden noemen het diertje vanwege het overbodig bukken sacristán [koster].

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tapuit m., cf. synon. wijntapper.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tapuit* zangvogel 1860 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut