Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tapuit - (zangvogel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tapuit* [zangvogel] {1860} vermoedelijk zo genoemd vanwege het herhaaldelijk bukken zonder aanwijsbare reden, dat dan een associatie met tappen heeft opgeroepen. De Spanjaarden noemen het diertje vanwege het overbodig bukken sacristán [koster].

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tapuit m., cf. synon. wijntapper.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

TAPUITOenanthe oenanthe
Duits Steinschmätzer
Engels Wheatear
Frans Traquet motteux
Fries Heidehipper
Betekenis wetenschappelijke naam: Oinanthe is de Griekse naam voor zowel de druif als de daarnaar genoemde Tapuit, wiens borst en keel n.l. een isabelkleurige waas hebben, zoals bij een rijpe druif. De herkomst van ‘Tapuit’ staat niet helemaal vast. Meestal wordt uitgegaan van samenhang met het Middelnederduitse tâpen, dat kloppen of ‘slaan dat het kletst’ betekent. Gedoeld wordt op het afgebeten, smakkende vogelgeluid, dat eveneens is verwoord in de namen Tikker (Kem), Fikker (fikken = slaan) en Kekje (Sco). Indien Kekje van kekkeren is afgeleid, kan de naam ook ‘stotteraar’ betekenen. Voegen we het voorafgaande gedrag bij dat van de vogel om in zijn steenachtige gebieden van steen naar steen te vliegen en daarop knikkende bewegingen te maken, dan worden de volgende volksnamen verklaarbaar: Steenbikker, Steentikker (Kem) – vergelijk Duitse naam –, Waltakker (Ach, Ov), Holsmakker (broedt in holten zoals konijneholen), Steenslijper, Steensluiper, want hij loopt snel over de stenen, Steenvogel en Stienfûgeltsje (Fr). Bij de volksnaam Tapier vragen wij ons af of hier verband bestaat met het Franse werkwoord se tapir = wegkruipen, in elkaar duiken. Een verklaring voor de naam Walduker (Gd) zou zijn dat het gaat om het wegduiken van de vogel met de jongen in het nest wanneer grasmaaiers in de berm hun werk doen en de zeis over de vogels heen gaat. ‘Wal’ duidt op een aarden wal waarop de vogel graag verblijft. Wanneer wij n.l. de streeknamen Duinduiker(tje) en Woalkipper (Wie) – vgl. kantelen – erbij betrekken, kan ‘duiker’ de aanduiding zijn van de knikkende of buigende bewegingen van de vogel tijdens de balts. Bij het buigen gaat de staart omhoog en is de witte stuit goed zichtbaar. Vandaar z’n namen Witgatje (Wou) en Witstaart. De Engelse naam heeft dezelfde achtergrond want die is een gekuiste versie van het vroegere White Arse. Ook Stag (Haa, Kat), Stoag (Tex), Stoachie (Tex) – zie eveneens bij Paapje – en Duinstag(ger) (Kat) berusten op het baltsgedrag. Ze betekenen zoveel als ‘strak gespannen staan’, o.i. zoveel als ‘steigeraar’ en doelen op de dans die het mannetje voor het vrouwtje uitvoert. Geen eensluidende achtergrond vonden wij voor Wijntapper, Wientapper (Twe, Ut), Wientepper (Lb, NB), Wiêntêmper (Wee), Wendtapper (Kem), Wingtèpper (ONB) en Weinddepper (ONB). Zie omtrent Weinddepper bij de Roodborsttapuit. Het element Wijn of Wien enz, is ontleend aan het Oudhoogduitse winne d.i. gras- of weiland, zijnde het territorium van tapuitsoorten. Zie ook bij het Paapje: Grastapuit. Meestal wordt deze groep namen in verband gebracht met de bukkende bewegingen van de vogel, zoals iemand die maakt bij het wijn tappen uit het vat. Dit misschien onder invloed van de betekenis van Oenanthe. Maar vergelijking met het Noordfriese woord wintapper voert ons naar een overlaat in een wijnvat: bij het gistingsproces ontsnapt koolzuurgas door het z.g. waterslot, hetgeen een borrelend geluid veroorzaakt en hiermee zou het smakkende geluid van de Tapuit zijn vergeleken. Tenslotte zou ‘tapper’ ook een woordspeling kunnen zijn op de naam Tapuit. De naam Vitop of Fitop (Fr, Gr) lijkt een variant van wijntap(per). Misschien is ook de Engelse volksnaam Whinchat bij e.e.a. betrokken. Kwid (Ame), Kwyts (Sch), Kwijts en Kwikkert (Fr, Ter) zijn misschien namen die de vogel als ‘kwiek’ typeren. De Tapuit wordt vaak aangetroffen op zandgronden en heidevelden, zoals blijkt uit de Friese naam en uit Heidehupper (Gd), Heischopper (Wou), Zandleuper (Lb) en Zandderberke (Kem), waarmee gezegd wordt dat hij bedrijvig heen en weer rent. Uit Vealdeakster (Twe) blijkt dat de Tapuit vooral als grondvogel van open terrein wordt gezien en dat zijn geluid op dat van de Ekster lijkt. Keep (Vli) is een naam die kan zijn ontstaan door vergelijking van de kleuren van Keep en Tapuit. In Blokteef (Wag), Blokvink (Ut) en Duinkluit (Lb) gaat het om z’n stevige postuur. Zo ook in Dikschieter(l) (Dr, Gr) en Dikskiter (Fr), welke stammen uit de tijd dat de soort in turfhopen nestelde en die dan erg bevuilde. In Vlaanderen kent men de vogel als Kotsjakker. Een ondersoort is de Groenlandse Tapuit – O. o. leucorhoa (= witstuitige), die door ons land trekt en die ook Langvleugel-tapuit, IJslandse Tapuit en Noordelijke Tapuit is genoemd.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tapuit* zangvogel 1860 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut