Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tang - (gereedschap; nare vrouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tang zn. ‘gereedschap; nare vrouw’
Onl. tanga ‘tang’ als glosse [951-1000; ONW]; mnl. tanghe in de tanghe dar men mede vte dede. Dat licht ‘de tang waarmee men het kaarslicht doofde’ [1285; VMNW].
Os. tanga (mnd. tange); ohd. zanga (nhd. Zange); ofri. tange, tonge (nfri. tange); oe. tang(e) (ne. tongs); on. töng (nzw. tång); < pgm. *tangō-. Verwant met oe. tengan ‘aandringen, zich haasten’ en on. tengja ‘samenbinden, verbinden’ (nzw. dial. tängia) < pgm. *tangijan- ‘samenknijpen, samendrukken’.
Verwant met: Grieks dáknein ‘bijten’; Sanskrit daśati ‘(hij) bijt’; Albanees dar ‘tang’; < pie. *denḱ- ‘bijten’ (LIV 117). Germaans ‘tang’ kan verklaard worden als ‘gereedschap om bijeen te bijten’ dat wordt tot ‘gereedschap om bijeen te knijpen’ (FvW, WNT, Kluge, Pfeifer, LIV). De bezwaren van NEW en Toll. tegen deze etymologie zijn niet overtuigend. Voor de betekenisovergang vergelijk middeleeuws Latijn mordax ‘knijptang’ [800; FEW] (Frans mordache) < klassiek Latijn mordāx (bn.) ‘bijtend’ bij het werkwoord mordēre ‘bijten’.
De betekenis tang ‘vinnige vrouw’ [1829; Martin], ‘scheldwoord voor een vrouw’ in tang van een wijf [1856; WNT], ouwe tang ‘oud wijf’ [1903; Stoett] is wrsch. overdrachtelijk ontstaan; er bestaan gewestelijk meer gereedschapsnamen die als scheldwoord gebruikt worden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tang* [gereedschap] {tange 1285} oudsaksisch tanga, oudhoogduits zanga, oudfries tange, oudengels tang(e) (engels tongs), oudnoors tǫng, vermoedelijk te verbinden met gotisch tahjan [uiteenrukken]; buiten het germ. grieks daknein [bijten], albaans danë [tang], oudindisch daśati [hij bijt]. De oudste vorm van de uitdrukking dat slaat als een tang op een varken [heeft er niets mee te maken] luidt dat sluit als een tang op een varken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tang znw. v., mnl. tanghe v., os. tanga, ohd. zanga (nhd. zange), ofri. tange, oe. tong, tonge (ne. tongs), on. tǫng. — > fra. étangue ‘grote tang om muntplaatjes op aambeeld te houden’ (sedert de 17de eeuw, Valkhoff 132).

Gewoonlijk verbindt men dit woord met de idg. wt. *denḱ ‘bijten’, vgl. gr. daknō, oi. daśati (IEW 201). Een bezwaar is allereerst, dat men dan van een abstracte bet. ‘de samenknijpende’ voor een gereedschapsnaam moet uitgaan, wat voor een oud woord geen aanbeveling verdient. Verder moet men dan het woord van tengel scheiden. Nu moet men deze wt. *denḱ toch wel opvatten als een nasalering van *deḱ ‘scheuren’ (IEW 191), waarvan wij in het germ. woorden voor vezels en haren kennen. Indien deze wortel tot de begripssfeer van het bosbedrijf zou behoren (waarvoor zie: taai 1), dan kan men tang eerder in dit verband verklaren en dus naast mhd. zanke ‘spits, punt’, verder nog mhd. zangern ‘trekken, rukken’ plaatsen. Verder zijn nog te noemen mnl. tangher ‘kloek’, Kiliaen ‘scherp, ruw, scherp van smaak’, mnd. tanger ‘bijtend, scherp van smaak, kloek’, ohd. zangar ‘bijtend’, een r-afl. van *tangō. — Overdrachtelijk gebruikt voor ‘een boosaardig wijf’ (dat zeker niet met M. de Vries, Taal- en Letterbode 2, 291 uit mal. orang sétan ‘boosaardig mens’ zal af te leiden zijn).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tang znw., mnl. tanghe v. = ohd. zanga (nhd. zange), os. tanga, ofri. tange, ags. tong, tonge (eng. tongs), on. tǫng v. “tang”. Met de oorspr. bet. “happer, bijter” van idg. deñk̑- “bijten”, den genasaleerden vorm van dē̆ḱ “id.”; vgl. oi. dáçati, daṁçati “hij bijt”, daṁçayati “hij laat bijten”, daṁça- “beet”. Voor verdere verwanten zie tak; ook taai; niet wsch. te maken is de combinatie met gr. dáktulos “vinger”. Op een germ. bnw. *taŋʒra- “bijtend” gaan terug mnl. tangher “kloek”, nog dial. (Waasch), blijkens Kil. ook “scherp, ruw, scherp van smaak”, ohd. zangar “bijtend”, mnd. tanger “id., scherp van smaak, kloek”. — Tang “boos wijf” is ’t zelfde woord: voor de bet. vgl. bij schoelje. Ook vork en eg worden dial. evenals tang gebruikt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tang. Deminutiefformatie: zeeuws (reeds bij Cats) tengel ‘tang, schaar (van kreeft of krab)’. Zie ook bij tengel Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tang v., Mnl. tanghe, Os. tanga + Ohd. zanga (Mhd. zange, Nhd. id.), Ags. tonge (Eng. meerv. tongs), Ofri. tonge, On. tǫng (Zw. tång, De. tang) + Shr. wrt. daṃç, Gr. dáknein = bijten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tang s.nw.
1. Tipe gereedskap waarmee iets vasgeknyp kan word. 2. Onderdeel van 'n wa bestaande uit 'n dik, sterk stuk hout. 3. (skeltaal) Slordige vrou. 4. Swak, agteraf persoon.
In bet. 1 - 3 uit Ndl. tang (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1871 in bet. 3). Bet. 4 het in Afr. self ontwikkel. Dit is onseker of bet. 2 reeds in Mnl. voorkom. In Verdam (1976) word as een bet. net vermeld 'timmermansterm'. Die enigste sitaat in WNT dateer uit 1917. In die Journals of Andrew Geddes Bain kom al in 1826 voor: 'The hind tang (as the Dutch call it) of Mr. B.'s waggon having broken ...' (Silva 1996). In bet. 3 is dit volgens Stoett (1943) onwaarskynlik dat tang 'n verkorting is van Maleis setang wat voorkom in orang setan 'duiwelse, boosaardige mens'. Name van werktuie word dikw. as skeldwoord gebesig. In bet. 4 vind 'n ruimer toepassing van bet. 3 plaas.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1826 in bet. 2).

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam

tang [oud wijf]. Dit woord zullen de meesten van mijn lezers wel niet verwacht hebben hier aan te treffen. Het is dan ook slechts in de zeer bijzondere betekenis die het als scheldwoord heeft, dat er hier sprake van kan zijn. De uitdrukkingen: een tang van een wijf, een oude tang, zouden volgens een gissing van prof. De Vries in De Taalbode, II, p. 292, afkomstig zijn van seetang of zeetang, een Europese verbastering van het Maleise seitan of sétan. Prof. Moltzer zegt daarvan in zijn aankondiging in De Gids van 1872, II, p. 161: ‘Lepidius quam verius’ [eerder grappig dan juist], en drukt zijn overtuiging uit dat te eniger tijd de ware eerste tang van een wijf uit het een of andere oude kluchtspel zal tevoorschijn treden. Maar dit is geen verklaring. Zou de tang ook kunnen staan voor de persoon die er zich van bedient? Het is een werktuig dat men gebruiken kan om te slaan en te knijpen en vast te houden, en dat een vrouw uit de volksklasse allicht ter hand neemt als zij haar toorn wil koelen. Onmogelijk schijnt mij die opvatting niet.

De gissing van prof. De Vries is echter lang zo onwaarschijnlijk niet als zij zich op het eerste gezicht voordoet en kan ook nog wel voorgesteld worden op een wijze die haar meer aannemelijk maakt. Het woord seetan is oorspronkelijk niet Maleis, maar het Arabische sjeitan (dat echter van het Hebreeuwse Satan schijnt af te stammen), door de Maleiers en Javanen, wier spraakorganen de sj (of sch) van het Arabische alfabet niet kunnen voortbrengen, als seitan of sétan uitgesproken. Daaruit schijnt in het zogenaamd laag-Maleis, dat is het door de Europeanen gesproken brabbel-Maleis, sĕtang ontstaan, want ofschoon die vorm in onze Maleise woordenboeken en woordenlijsten, ook die van het laag-Maleis, voorzover ik weet nooit wordt opgegeven, vind ik hem reeds bij de oude Bontius, Historiae naturalis, p. 79, waar hij van een kleine gehoornde vis sprekende zegt: ‘Piscatores Indi vocabulo Arabico ipsum ican sétang vocant, i.e. piscem diabolum, vel quod cornua gerat, seu, quod ictus ejus admodum virulentus sit’ [Indische vissers noemen die vis zelf met de Arabische naam ican sétang, dat wil zeggen duivelsvis, ofwel omdat hij horens draagt, ofwel omdat zijn steek zeer giftig is]. De betoning van de a in de laatste lettergreep, die Bontius door een accent aanwijst, vordert bepaaldelijk dat de e in de eerste als ĕ wordt uitgesproken. Echter is die verkorting van de klinker é bevreemdend en alleen te verklaren uit een verplaatsing van de klemtoon, zoals ook in andere talen soms plaats heeft. Men zegt wel te Amsterdam steeds vierkánt in plaats van víérkant en te Groningen óverleg in plaats van overlég, ofschoon beide geheel met ons taaleigen strijden. Minder bezwaar heeft de verandering op het einde van de zuivere n in de nasale ng, die bijzonder aan het laag-Maleis eigen is, zoals ik bij orang oetan en rotting opmerkte. Stel nu (wat ik niet durf verzekeren, maar dat gemakkelijk kan worden uitgemaakt door ieder die enige tijd te Batavia heeft vertoefd) dat die vorm sĕtang nog heden in het straat-Maleis in gebruik is, dan kan het woord gemakkelijk door onze matrozen zijn opgevangen en, met verwaarlozing van de eerste toonloze lettergreep, waardoor het tevens de vorm kreeg van een gewoon Nederlands woord (zie bij artikel kaalkop) in de Nederlandse volkstaal overgebracht. Ik vind orang sétan als een gebruikelijke laag-Maleise uitdrukking voor een ‘duivels, boosaardig mens’ vermeld. Dezelfde betekenis heeft dan sĕtang of tang. [V]

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

tang (van een wijf): kreng van een vrouw; feeks*.

Hij riep: Zeg ouwe Manke Nelis, duurt het nou nog lang/ Kom, schuif het raam op en vertoon je met die ouwe tang. (Eduard Kapper, De zilveren bruiloft van Manke Nelis, ca. 1922)
Padde trok z’n benen omhoog, sloeg er de handen omheen en zei: ‘Vrouwen zijn tangen.’ (Johan Fabricius, De scheepsjongens van Bontekoe, 1923)
Toen begon de rotmeid te schelden van oude tang en rothoer. (H. van Aalst, Onder martieners en bietsers, 1946)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tang (een oude --) (Maleis se(i)tan)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tang, van ’t Germ. tango = de bijter.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tang ‘gereedschap’ -> Frans etangue ‘grote tang om stukken geld op het aambeeld mee vast te houden’; Kroatisch tangun ‘horizontale cilinder voor het hijsen van de ballonfok’; Sloveens tangun ‘horizontale cilinder voor het hijsen van de ballonfok’; Indonesisch tang ‘knijpgereedschap’; Boeginees tang ‘gereedschap’; Jakartaans-Maleis tang ‘gereedschap’; Javaans tang ‘gereedschap’; Madoerees ēttang ‘gereedschap’; Menadonees tang ‘gereedschap’; Negerhollands tang ‘gereedschap’; Papiaments tan (ouder: tang) ‘gereedschap’; Sranantongo tanga ‘gereedschap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tang* gereedschap 1285 [CG Rijmb.]

tang kwaadaardige vrouw 1862 [WNT] <Indonesisch

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2238. Een tang (van een wijf),

d.w.z. een boosaardig wijf. Volgens eene gissing van Prof. M. de VriesTaal- en Letterbode II, 291. zou tang een verkort laag-Maleisch woord zijn, n.l. setang (arab. sjeitan), dat voorkomt in orang sétan, een duivelsch, een boosaardig mensch, eene meening die door Veth in Oost en West, 315-317 ook wordt verdedigd. Mij komt met Moltzer deze afleiding ‘lepidius quam verius’ voor; liever zou ik denken aan eene overdrachtelijke beteekenis van tang, instrument, waartusschen men iets vastknijpt. Vgl. Schuerm. Bijv. 328 b, waar wordt medegedeeld, dat in de omstreken van Leuven en Mechelen een lui wijf of meisje een luie tang genoemd wordt; in Kl. Brab. is eene tang, een serpent van een vrouw; zie Antw. Idiot. 1221; Rutten, 226; Tuerlinckx, 607. In het Friesch spreekt men van in divels-tange, - helhaek (vgl. Menschenw. 77; 168: helhaak), in boaze haek, een grimmig wijf; in fule foarke ta (fen) in wiif, een vinnig vrouwspersoon; in ystermint (instrument), een brutaal wezenFri. Wdb. I, 276 b; 376 b; II, 21 b.; in Gelderland is een dissel een onaangenaam, onvriendelijk persoon. Elders kent men een egge van een kerel, een lastige man (Dr. Bl. II, 55) en Wander V, 496 citeert si ist a rechti Zanga, habsüchtig und geizig, waarmede te vergelijken is Rutten, 199: scheer, gierig wijf; zie verder Harreb. I, 283 b: Zij is geene tang, om zonder handschoenen aan te tasten; Sjof. 246: O, da's toch zoo'n tang, dat ouwe kreng; Kalv. II, 25; 184: Ouwe tang.

2239. Dat slaat als een tang op een varken,

d.w.z. dat slaat in het geheel niet op elkander, dat sluit niet, heeft geen betrekking op elkander. De zegswijze moest eig. luiden: dat sluit of past als een tang op een varkenZie Breughel, no 42, waar een varken wordt voorgesteld met een geopenden tang over den rug., zooals o.a. staat bij Marnix, Byenc. 60 r: Maer sy sullen wel een lange Neuse krijgen, als sy sien sullen, dat de gantsche Schrift, met de uytlegginghe der H. Vaderen, op onze Lere ten minsten alsoo wel sluyt als een tanghe op een Vercken; zie Servilius, 8*: Een tange op een verken; J. van Hout: Elf of twaelf regelen, die zoo veel sluyten als een tange up een varckenAangenaald bij Te Winkel, Ontwikkelingsgang1 I, 317.; Sart. III, 6, 76: tSluyt als een tang op een vercken; Idinau, 10:

 Het sluyt als een tanghe op een vercken;
 Dat seght-men van al, dat qualijck past.

Ons Volksleven V, 203; Winschooten, 100; Halma, 628: Het sluit als eene tang op een varken, het is eene reden zonder slot; Spaan, 168; De Brune, 422: Het past ghelyck een tanghe op een swijn; Starter, 525: Indien dat het heel contrary valt ende dat het hem past, als een tang op een vercken (so men seyt); Adagia, 28: gelijck een tange op een vercken, leonis exuvium super crototon; Tuinman I, 84: dat past als een tang op een verken; Van Eijk II, Nal. 50; Harreb. II, 325; Kalff, Gesch. der Ndl. Ltk. II, 508: Een samenspraak, getiteld Absurda, waarin woord en weerwoord op elkander sluiten als een tang op een varken; Het Volk, 17 Oct. 1913 p. 1 k. 1: Deze verwachting slaat op de feiten als een tang op een varken; De Arbeid, 19 Dec. 1914 p. 4 k. 1: Het tweede gedeelte van genoemd citaat slaat, om het eens plat uit te drukken, op 't eerste als een tang op een varken; Antw. Idiot. 941; 1221; Joos, 29: dat staat u gelijk een tang op een varken, dat past u geenszins; 't Daghet XII, 142: passen gelijk een tang op een verken; Waasch Idiot. 226; Dr. Bl. 3, 48: dat steet as ne tang op 'n verken; enz.In het Friesch noemt men, volgens W. Dijkstra II, 287 a, een mageren man met lange beenen op een boerenpaard in tange op in baerch (varken). Synoniem zijn of waren de uitdr. dat slaat als een tang op een aschpot of een aschvarken; dat sluyt ghelyck ses vingeren in een handtschoen; dat sluyt als een haspel op eenen vleesch-pot (of moespoet), als zeven haspelen in een zak; dat slaat als een haspel op een koolpot (in Elzeviers Maandschrift, 1915, p. 87); thans nog in het Nd. dat slütt as'ne Tange up 't Fiärken; dat passt as ên Haspel up ên Kohlpott (Eckart, 462; 398); as d'fûst up 't ooge (ook Ndl.; Dirksen I, 74); dat past gelijk een tang op eeu hek (onderdeur; Rutten, 89 b); dat sluit gelijk een duim in een hoedje of gelijk een hulle (deksel) op de zee (De Bo, 277 a); da stouët (staat) läk in tang oep in zoeg (zeug; Tuerlinckx, 585); bij Bergsma, 21: dat liekt, slat as 'n tang op 'n zwien, vaarken, op 'n gaffel, as 'n hond zonder staart; fri. dat slacht (of stiet) as in in tange op in baerch. Zie no. 856.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut